Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Doorbetalen hypotheekrente na scheiding niet altijd aftrekbaar!

Doorbetalen hypotheekrente na scheiding niet altijd aftrekbaar!

10 februari 2020

In 2013 scheidt X van Y. X en Y waren buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd. Y blijft wonen in de echtelijke woning, waarvan zij enig eigenaar is. Daarnaast is er nog een woning in aanbouw waar X en Y voor 50 procent eigenaar zijn. Op beide woningen loopt een hypothecair krediet op naam van X en Y. X betaalt de volledige hypotheekrente voor beide woningen. De belastingdienst weigert de volledige aftrek van de betaalde hypotheekrente. X is het daar niet mee eens en stapt naar de rechtbank.

Op wie drukken de rentekosten voor de hypothecaire geldlening?

X heeft in augustus 2013 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Vervolgens heeft X zich in december 2013 uitgeschreven op het adres van de echtelijke woning. X en Y hebben niet gekozen voor voljaarspartnerschap in het kader van toerekening van inkomensbestanddelen voor de inkomstenbelasting. Daarnaast is in de stukken van de echtscheiding bij rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2016 opgenomen: “Uit de overgelegde stukken heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat er, zoals door de vrouw is gesteld, een verband bestaat tussen het door de vrouw intrekken van haar verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie en de betaling door de man van de hypothecaire lasten en overige woonlasten. In de door de rechtbank gegeven beschikking voorlopige voorzieningen is hierover niets opgenomen, hetgeen wel voor de hand had gelegen, gelet op de fiscale gevolgen van een dergelijke afspraak voor partijen. Bovendien staat in het aanvullende verweerschrift/aanvullend verzoekschrift van de man te lezen dat de vrouw is gaan samenwonen en dat zij dat heeft erkend, zodat zij om die reden geen recht meer zou hebben op partneralimentatie.” 

Volgens X heeft hij recht op de volledige aftrek van de hypotheekrente voor de woningen. Als dat niet zo is, dan wil X dat de betaalde bedragen aan hypotheekrente aftrekbaar zijn als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen.

Hypotheekrenteaftrek

De Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bepaalt wie onder voorwaarden hypotheekrente in aftrek mag brengen en hoe lang. Daarin staat onder meer:

‘Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken.’ (artikel 2.17, eerste lid) en

‘Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de toepassing van dit lid en van het achtste lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.’ (artikel 3.111, vierde lid).

X en Y in 2013 niet gekozen voor voljaarspartnerschap als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001. Dat betekent volgens de rechtbank dat de hoofdregel van artikel 2.17 van toepassing is en dat de kosten dan in aanmerking worden genomen bij degene op wie ze drukken. De echtelijke woning is volledige eigendom van de Y. X en Y zijn wel ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening. De echtelijke woning is voor X een eigen woning gebleven op grond van de bepalingen in Wet IB 2001 na het verlaten van de echtelijke woning voor een aantal jaar. Maar dat wil niet zeggen dat alle kosten op X drukken. Hiervoor is vereist dat de schuld tot het vermogen van X behoort, aldus de rechter. Omdat de woning volledige eigendom is van de Y gaat de rechtbank ervan uit dat ook de schuld volledig tot het vermogen van Y behoort.

Afspraken over draagplicht hypothecaire geldlening ontbreken

Er zijn geen afspraken gemaakt omtrent de draagplicht. Bij het ontbreken van dergelijke afspraken brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid volgens de rechtbank mee dat de onderlinge draagplicht van de lening – en daarmee ook de rente – gelijk is aan de eigendomsverhouding (De rechtbank refereert hierbij aan de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2018). Daardoor drukken de schuld en de hypotheekrente volgens de rechter op het vermogen van Y en heeft. X een verhaalsrecht gekregen op Y door de rente te betalen op grond van artikel 6:10, tweede lid BW. De rentekosten drukken daardoor dus niet op X, aldus de rechtbank.

De stelling van X dat hij in 2013 de economisch eigendom heeft verkregen van de woning en dat daarom de betaalde rente bij hem aftrekbaar is als eigenwoningrente verwerpt de rechtbank, omdat in het echtscheidingsconvenant uit 2016 staat dat de Y de woning voor € 300.000 aan X zal leveren. Uit niets blijkt dat dit de waarde van de woning in 2013 betrof en dat de waardeontwikkeling sinds die tijd voor rekening en risico van X zou zijn gekomen.

Ook voor de woning in aanbouw geldt het hierboven gestelde, waardoor de kosten van deze woning slechts voor helft op X drukken, omdat hij voor de helft de eigendom van deze woning heeft. X heeft hier dus recht op de aftrek voor de helft van de betaalde rente. Voor de andere helft heeft X eveneens een wettelijk verhaalsrecht op de ex-echtgenote. 

Betaling hypotheekrente onderhoudsverplichting?

Ook de stelling van X dat de door hem betaalde hypotheekrente een onderhoudsverplichting is, en op basis daarvan volledig aftrekbaar is, mocht niet baten. Volgens de Wet IB 2001 zijn onderhoudsverplichtingen periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting Uit de stukken blijkt, dat X en Y geen alimentatieverplichting zijn overeengekomen. In artikel 1 van het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat Y haar verzoek aan de rechtbank tot het vaststellen van de partneralimentatie heeft ingetrokken. Volgens de rechtbank heeft de belastingdienst daarom terecht de aftrek van de betaalde hypotheekrente als onderhoudsverplichting afgewezen. 

De rechtbank stelt de belastingdienst in het gelijk.

Commentaar

In deze zaak komt weer pijnlijk naar voren dat het heel belangrijk is om bij een echtscheiding ook de hulp in te roepen van een specialist, die de fiscale gevolgen daarvan onderkent. Als X en Y hadden vastgelegd dat X de hypotheekrente als een onderhoudsvoorziening (alimentatie) zou blijven betalen, dan had hij de volledige rente in aftrek kunnen brengen voor de inkomstenbelasting, zolang de woningen konden worden beschouwd als eigen woning. Zeker nu er eerder ook geen afspraken over draagplicht waren gemaakt. Nu zij dit niet hebben vastgelegd, kunnen de Belastingdienst en de rechter niet anders dan het verzoek om volledige aftrek van de betaalde hypotheekrente afwijzen.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland – West Brabant, 21 januari 2020

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10 februari 2020