Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Dwangsom aan werknemer niet altijd belastbaar loon

11 maart 2019

Een politieman doet een verzoek aan zijn werkgever. Omdat de werkgever te laat reageert op dit verzoek moet de werkgever een dwangsom betalen aan de politieman. Hof en Hoge Raad vinden dat de dwangsom niet tot het belastbaar loon van de politieman hoort.

Dwangsom aan werknemer

B is werkzaam bij de politie. Hij vraagt zijn werkgever om herwaardering van zijn functie. De werkgever wijst dat verzoek af. B maakt bezwaar tegen deze afwijzing. De werkgever beslist niet tijdig op dat bezwaar.

Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een regeling dat een bestuursorgaan een dwangsom is verschuldigd is als zij niet tijdig beslist of een beschikking geeft, op een aanvraag. Met toepassing van deze bepaling is vastgesteld dat de werkgever aan B een dwangsom van € 490 is verschuldigd. De dwangsom is aan B betaald bij het salaris over de maand oktober 2014, onder inhouding van loonheffingen.

Dwangsom aan werknemer niet belast

In geschil was of terecht loonheffingen zijn ingehouden op de aan B betaalde dwangsom. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Volgens het Hof is de dwangsom verschuldigd geworden doordat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op het bezwaar te beslissen. B had recht op die dwangsom in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar. “Een dergelijke bate vindt niet zozeer grond in de dienstbetrekking, dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt”, aldus het Hof. De staatssecretaris ging in cassatie.

De Hoge Raad stelde dat het bestuursorgaan de dwangsom uit hoofde van de bepaling in artikel 4:17 Awb uitsluitend verschuldigd is in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan. Daarbij is niet van belang of de aanvrager van een beschikking in een dienstbetrekking staat tot dat bestuursorgaan. De vaststelling door een bestuursorgaan van een aan haar werknemer op grond van artikel 4:17 Awb verschuldigde dwangsom vindt als zodanig geen grondslag in die dienstbetrekking. En dient ook niet tot nakoming van een uit die dienstbetrekking voortvloeiende verplichting. Deze regeling ziet uitsluitend tot naleving van de algemene verplichting van het bestuursorgaan om tijdig op een aanvraag te beslissen. Het oordeel van het Hof dat de dwangsom niet zozeer grond vindt in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt, is juist.

Commentaar

De Wet op de loonbelasting kent een zeer uitgebreid loonbegrip. In artikel 10 van deze wet staat dat tot het (belastbare) loon wordt gerekend: “al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking”. In de literatuur en jurisprudentie wordt steeds gekeken naar het causale verband tussen de uitkering of vergoeding van een werkgever aan zijn werknemer en de dienstbetrekking. In dit geval meende de staatssecretaris dat de dwangsom in een dergelijk causaal verband stond met de dienstbetrekking. Immers de werknemer kreeg deze dwangsom omdat hij een arbeidgerelateerde vraag aan de werkgever had gesteld. Het Hof en Hoge Raad dachten hier heel anders over. Omdat de dwangsom voortkwam uit een algemene bepaling die gold voor bestuursorganen was er geen causaal verband meer met de dienstbetrekking. Want het bestuursorgaan kan een dergelijke dwangsom ook verschuldigd zijn aan niet-werknemers.

Op zich is het wel vreemd dat bij een arbeidgerelateerde vraag de werkgever een dwangsom verschuldigd is alleen omdat zij een bestuursorgaan is. Daarbij hebben werknemers bij een dergelijk bestuursorgaan een streepje voor op werknemers bij een private werkgever. Want als dezelfde vraag gesteld was door een werknemer aan zijn private werkgever was de laatste nooit een dwangsom op basis van de Awb verschuldigd. En als de private werkgever dan toch een vergoeding toekent aan zijn werknemer dan is die zondermeer belast. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: hoge Raad, 15 februari 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 maart 2019