Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Echtscheiding DGA: omvang pensioen en conversiekoopsom

14 december 2018

Een DGA en zijn partner hebben bij hun echtscheiding onenigheid over de omvang van de pensioenuitkeringen en de hoogte van de koopsom voor de conversie. Onderzocht moet worden of de bezittingen van de BV op een of andere manier liquide gemaakt kunnen worden.  

Pensioen en echtscheiding

Mevrouw A en mijnheer B zijn in 1964 gehuwd in algemene gemeenschap van goederen. Het huwelijk tussen A en B is op 19 mei 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de bestemde registers van de burgerlijke stand.

A en B waren beiden in loondienst van Holding BV. De BV heeft aan A en B pensioenaanspraken toegekend. Het ouderdomspensioen van A gaat in op haar 60-jarige leeftijd; in 2005. Het ouderdomspensioen van B gaat in op zijn 62-jarige leeftijd; in 2006. Holding BV hield beide pensioenen in eigen beheer.

In 1993 richt Holding BV een pensioen BV op en brengt daarin de pensioenaanspraken van A en B onder. Volgens de financieringsovereenkomst moet Holding BV aan Pensioen BV uiterlijk op 31 december 1993 een koopsom betalen van € 104.312 en daarna jaarlijks een nog vast te stellen premie. Holding BV heeft de koopsom noch de jaarlijkse premies betaald maar bijgeschreven op een schuld aan Pensioen BV.

A en B zijn het erover eens dat de pensioenaanspraken niet verevend hoeven te worden, maar dat deze moeten worden geconverteerd. Pensioen BV betaalt het pensioen aan A niet uit en converteert de aanspraken niet. Daarom vordert A van zowel Holding BV als Pensioen BV nakoming van de betaling van haar ouderdomspensioen met ingang van 2005 en nakoming van de conversie.

De rechtbank veroordeelt Pensioen BV en Holding BV om op eerste verzoek van A het bedrag voor de resterende pensioenvoorziening voor A af te storten bij een door haar op te geven verzekeringsmaatschappij. Ook moeten Pensioen BV en Holding BV vanaf 2005 tot aan de dag dat de koopsom wordt voldaan, de pensioentermijnen van € 887 bruto per maand betalen aan A. A is het niet eens met de bedragen en gaat in hoger beroep.

Omvang pensioen en koopsom conversie

Het Hof constateert dat partijen niet in staat zijn om overeenstemming te bereiken over de aan A toekomende bedragen. Daarom gelast het Hof een comparitie en een deskundigen onderzoek. Hierin moet onderzocht worden of de vorderingen van A juist zijn. De vorderingen van A bestaan uit:

  1. de eigen pensioenaanspraken van A vanaf 27 maart 2005 tot 19 mei 2006, ter grootte van € 12.189;
  2. de geconverteerde pensioenaanspraken vanaf 19 mei 2006 tot en met 31 december 2016;
  3. de geconverteerde pensioenaanspraak over 2017 en over 2018 van respectievelijk € 16.778 en € 16.996 bruto; en
  4. de resterende aan A toekomende voorziening

 

A voert voor de vordering 1 en 2 berekeningen van een deskundige op. Deze becijfert de totale waarde van deze uitkeringen op een bruto bedrag van € 199.327. Hierop komt in mindering het door Pensioen BV al betaalde bedrag ter grote van € 30.498 netto. Omdat de BV ’s er niet in slagen aan te tonen dat de berekeningen van de door A ingeschakelde deskundige onjuist zijn, wijst het Hof deze vorderingen van A toe.

Hetzelfde geldt min of meer voor vordering 3. Het Hof bepaalt: “Nu [appellante] een uitvoerige berekening met toelichting op de uitgangspunten in het geding heeft gebracht en de vennootschappen niet, althans onvoldoende hebben uitgelegd waarom die berekening niet juist is, zal het hof uitgaan van het door [appellante] genoemde bedrag.”

Tegen de vordering onder 4 brachten de BV ’s nog in dat zij in een zodanige positie verkeren dat ze niet in staat zijn deze koopsom te betalen. Volgens de BV ‘s beschikken zij over onvoldoende liquide middelen om tot afstorting over te gaan. Het Hof heeft de BV ‘s opgedragen om daarover nadere inlichtingen te verstrekken. Daarbij gaat het vooral over de panden die in het bezit zijn van de  BV ’s en in hoeverre deze verkoopbaar zijn dan wel belast kunnen worden met een hypotheek. Het Hof gaat voorbij aan het verweer van de BV ’s omdat zij het Hof niet volledig hebben ingelicht over de verkoopbaarheid van de panden, de mogelijkheid tot belening van de panden en ook niet in de periode vanaf november 2009 tot verkoop van een of meer panden zijn overgegaan. De BV ’s moeten uiterlijk op 1 april 2019 de overgebleven aanspraken van A verzekeren bij een verzekeringsmaatschappij.

Commentaar

Een erg feitelijke uitspraak van het Hof. Uiteindelijk komt het er op neer – zoals in zoveel procedures - wie slaagt het beste in de onderbouwing van zijn standpunten. In dit geval was dat mevrouw A.

Wat opvalt in deze uitspraak is dat de BV ’s geen beroep deden op het leerstuk van postrelationele solidariteit. Dat houdt in dat een onderdekking van pensioen gelijkmatig door de partners moet worden gedragen. Dit leerstuk is ook door de Hoge Raad omarmd. Zie ons bericht van 24 april 2017. Hadden de BV ’s wel voldoende vermogen om de pensioenverplichtingen na te komen maar was dat vermogen minder liquide?

Deze uitspraak laat zien dat BV ’s met pensioen in eigen beheer zich er niet te makkelijk van af kunnen maken door te stellen: “we kunnen het niet betalen”. Een dergelijke stelling moet de BV wel kunnen onderbouwen. Het verweer van de BV ’s dat ze niet genoeg liquide middelen hadden om de vorderingen van A na te komen, slaagde niet. De stelling van de BV ‘s dat de liquide middelen “vast zitten in de stenen” vond geen genade bij het Hof. Die vond dat er ook gekeken moest worden of deze “stenen” op een of andere manier liquide gemaakt konden worden.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 mei 2018 en Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2018 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 december 2018