Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Eerste Kamer tilt behandeling wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen over de jaarwisseling heen.

Eerste Kamer tilt behandeling wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen over de jaarwisseling heen.

17 december 2020

De Eerste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloot op 15 december 2020 het wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen niet meer in 2020 te behandelen. De Commissie voor SZW agendeerde het voor 12 januari 2021.

Spoedeisend belang?

De Tweede Kamer nam op 17 november 20202 met algemene stemmen het wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen aan. Zie ons nieuwsberichten van 7 september 2020, 12 oktober 2020 en 17 november 2020.

De minister en de staatssecretaris van SZW verzochten de Eerste Kamer in een brief van 30 oktober 2020 dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk te behandelen. De bewindslieden wezen er daarbij op dat in het pensioenakkoord is afgesproken dat de beoogde inwerkingtredingsdatum van de maatregelen ten aanzien van de RVU-maatregel en de verruiming van verlofsparen 1 januari 2021 is. Voor de introductie van het keuzerecht bedrag ineens is de beoogde inwerkingtredingsdatum 1 januari 2022, dit in verband met voldoende voorbereidingstijd voor pensioenuitvoerders. De regering wil de gemaakte afspraken met sociale partners zowel inhoudelijk als qua ingangsdata gestand doen. Daarbij is volgens de bewindslieden behandeling door de Eerste Kamer nog voor het kerstreces van groot belang.

De Eerste Kamer vroeg op 10 december 2020 een nadere onderbouwing te geven van het spoedeisende belang met het oog op een eventuele behandeling van het wetsvoorstel tijdens het kerstreces. Minister Koolmees gaf deze nadere onderbouwing in een brief aan de Eerste Kamer van 11 december 2020. Hierin beschrijft hij per onderdeel welke consequenties optreden wanneer de Eerste Kamer het wetsvoorstel niet meer dit jaar behandelt.

Daarbij wijst hij er onder meer op dat, wanneer de behandeling van het wetsvoorstel volgend jaar zou plaatsvinden, dit betekent dat werkgevers vanaf 1 januari 2021 geen zekerheid hebben over de RVU-heffing en of de vervroegde uittreedregeling voldoet aan de voorwaarden uit de subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Daarnaast leidt het opschuiven van de behandeling van het wetsvoorstel, specifiek voor het onderdeel ‘Bedrag ineens’ tot een kortere voorbereidingstijd voor de uitvoerders.

De Eerste Kamer was niet overtuigd door de argumenten van de minister en besloot dat zij het wetsvoorstel plenair wil behandelen op 12 januari 2021.

Terugwerkende kracht

In zijn brief van 11 december 2020 geeft Koolmees aan dat het wetsvoorstel een bepaling voor terugwerkende kracht kent. Artikel VII van het wetsvoorstel luidt namelijk:

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit kan worden bepaald dat artikel V, onderdelen A en D, van deze wet terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.”

Behandeling in januari is dus volgens de minister wel mogelijk. Hij wijst er echter wel op dat er in de tussenliggende periode onzekerheid blijft bestaan.

Commentaar

Wederom een verrassende ontwikkeling bij dit wetsvoorstel. In eerste instantie legde minister Koolmees veel druk op de Tweede Kamer om met stoom en kokend water het wetsvoorstel te behandelen. Inclusief een omstreden nota van wijziging één dag voor de stemmingen.

De Eerste Kamer laat zich echter niet onder druk zetten en tilt de behandeling over de jaarwisseling heen. Dat levert door de terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 inderdaad een periode van onzekerheid op, met name voor werkgevers die gebruik willen malen van de versoepelde RVU-regeling.

Ook herhaalde de Eerste Kamer de bezwaren tegen het in één wetsvoorstel opnemen van drie ogenschijnlijk los van elkaar staande onderwerpen. De leden van de fracties van CDA, GroenLinks, 50PLUS en PvdA willen graag weten of de regering kan beargumenteren waarom onderwerpen die zo van elkaar verschillenen waarvan ook de ingangsdatum onafhankelijk van elkaar is gepland, in een en hetzelfde wetsvoorstel geregeld zijn. Zij begrijpen dat een akkoord, ook het pensioenakkoord, ontstaat in een proces van geven en nemen, maar voor hen blijft de vraag of het dienstig is om dergelijke van elkaar van elkaar gescheiden zaken in een ‘koppelverkoop’ in een wetsvoorstel onder te brengen.
Het kabinet komt in zijn antwoord niet verder dan het argument dat het vanwege de onderlinge samenhang - en ondanks de verscheidene inwerkingtredingsdata - het onderbrengen van deze drie maatregelen in één wetsvoorstel passend en wenselijk vindt.

Het uitstel geeft de Eerste Kamer echter ook de tijd en gelegenheid om rustig en zorgvuldig te kijken naar bijvoorbeeld de uitvoeringstechnische problemen die de nota van wijziging veroorzaakt voor pensioenuitvoerders bij de opname van het bedrag ineens. Zowel de Pensioenfederatie als het Verbond van Verzekeraars wezen hier op. Daarom is het een goede zaak dat de Chambre de Réflection zich niet laat opjagen en verleiden tot overhaaste besluitvorming.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Brief van de minister van SZW aan de Eerste Kamer, 11 december 2020 en Korte aantekeningen vergaderingen commissie SZW van 15 december 2020.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 17 december 2020.