Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Einddatum uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering verandert niet door wijziging AOW-ingangsdatum

Einddatum uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering verandert niet door wijziging AOW-ingangsdatum

20 december 2019

Werknemer heeft aanvullende arbeidongeschiktheidsverzekering die WAO-uitkering aanvult tot maximaal 70% van de WAO-dagloongrens. De eindleeftijd volgens de polis is 65 jaar. Verhoging van de AOW-ingangsdatum leidt niet tot verlenging van de uitkeringsduur tot 66 jaar. Terechte inhouding van loonheffing.

WAO-gat Verzekering

De toenmalige werkgever van X sloot per 1 januari 1996 een zogenoemde Collectieve WAO Gat Verzekering. Op grond van deze verzekering had X recht op een aanvullende uitkering als hem een WAO-vervolguitkering wordt toegekend. De verzekering vult de WAO-vervolguitkering aan tot 70% van het laatste salaris met een maximum van de WAO-dagloongrens. Voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid volgt de verzekeraar het UWV. De eindleeftijd volgens het polisblad is 65 jaar. In de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden staat onder meer:

“De uitkering van een arbeidsongeschikte werknemer eindigt

  • op de dag waarop de WAO-uitkering eindigt;
  • op de dag waarop de werknemer niet meer arbeidsongeschikt is;
  • op de eerste dag van de maand waarin de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt.”

 

X is vanaf 2002 100% arbeidsongeschikt en vanaf 2004 is zijn WAO Loondervingsuitkering voortgezet in een WAO Vervolguitkering. X was op dat moment niet langer in dienst van zijn werkgever dus betaalde de verzekeraar op grond van de WAO Gat Verzekering de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering direct uit aan X tot diens 65 jarige leeftijd.

X is het daar niet mee eens en stelt dat de eindleeftijd van de verzekering als gevolg van de wijziging van de AOW-ingangsleeftijd bijgesteld had moeten worden naar 66 jaar. Daarnaast stelt hij dat de uitkeringen uit hoofde van de verzekering niet in Box 1 zouden vallen omdat sprake is van uitkeringen die worden verstrekt op grond van beroepsziekten. De verzekeraar heeft dan ook volgens hem ten onrechte loonheffing ingehouden. Hij stapt naar het KiFiD.

Verzekeraar is niet toerekenbaar tekortgeschoten

Het KiFid maakt korte metten met de standpunten van X. Het staat een verzekeraar vrij om de grenzen te bepalen van de risico’s waartegen hij wel en waartegen hij geen dekking wenst te verlenen. De verzekeraar mocht de eindleeftijd bepalen op 65 jaar, de leeftijd die op het moment van het afsluiten van de verzekering gelijk was aan de destijds geldende AOW-leeftijd. De bepaling dat de verzekering eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd is volgens het KiFiD een zogenoemde primaire dekkingsbepaling die ziet op de omvang van de dekking. Het KiFiD geeft aan dat alleen onder bijzondere omstandigheden een beroep op een dergelijke bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. De omstandigheid dat de wetgever de AOW-leeftijd heeft verhoogd is naar het oordeel van het KiFiD een omstandigheid die niet in de risicosfeer van de verzekeraar ligt. De financiële consequenties van deze wetswijziging kunnen niet op een particuliere verzekeraar worden afgewenteld. Het KiFiD constateert dat een verzekeraar pas tot verhoging van de eindleeftijd verplicht is als hij dat heeft afgesproken. En van een dergelijke afspraak is niet gebleken, aldus het KiFiD. Het KiFiD wijst de vordering dan ook af.

Hetzelfde geldt voor de eis tot restitutie van de ingehouden loonbelasting. Een verzekeraar is op grond van artikel 6, lid 5 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 41 Zorgverzekeringswet verplicht om loonheffing in te houden en aan de belastingdienst af te dragen. Van deze inhoudingen valt de verzekeraar volgens het KiFiD geen verwijt te maken.

Het KiFiD komt dan ook tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat de verzekeraar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenissen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst of dat de verzekeraar zijn zorgplicht heeft geschonden.

Commentaar

Een, gezien eerdere uitspraken van de rechter (bijvoorbeeld Hof Den Bosch, zie ons nieuwsbericht van 22 augustus 2019) en de antwoorden van minister Koolmees op recente Kamervragen (zie ons nieuwsbericht van 28 november 2019), logische uitspraak. Contract is contract. En als daarin een duidelijke einddatum is opgenomen wijzigt de inhoud van de overeenkomst niet doordat de wet wijzigt. Als niet een expliciete einddatum is opgenomen maar bijvoorbeeld wordt verwezen naar ‘de pensioendatum’ kan dit anders liggen (bijvoorbeeld Hof Amsterdam, zie ons nieuwsbericht van 7 oktober 2019).

Ook op de wettelijke inhoudingsplicht die een verzekeraar bij dergelijke uitkeringen heeft, valt weinig af te dingen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 3 december 2019, nr. 2019-997

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 december 2019.