Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Elementen gelijkwaardige nettopensioenregeling

1 oktober 2014

Staatssecretaris Klijnsma (SZW) bood op 1 september een conceptbesluit aan over het nettopensioen aan de Tweede Kamer. Het conceptbesluit gaat over de wijzigingen in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met uitvoering van het nettopensioen en de waarborg voor fiscale hygiëne van het nettopensioen. Over dit besluit hadden verschillende fracties vragen waarop zij antwoord geeft.

Gelijkwaardige regeling

Eén van de vragen was of een verplichtstelling van een regeling voor nettopensioen ertoe kan leiden dat andere pensioenuitvoerders dan het bedrijfstakpensioenfonds, zoals verzekeraars, deze regeling niet meer kunnen uitvoeren. In reactie hierop gaf Klijnsma  aan dat zij ruimte zou scheppen voor de uitvoering van de netto pensioen door een andere pensioenuitvoerder. Ook als er sprake is van verplichtstelling.

Het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 past Klijnsma zodanig aan dat vrijstelling kan worden verleend aan een werkgever die daarom verzoekt voor het deel nettopensioen. Hierbij geldt als voorwaarde dat er een gelijkwaardige regeling voor nettopensioen bij een andere pensioenuitvoerder, zoals een verzekeraar, wordt ondergebracht.

Omdat het bij een regeling voor nettopensioen gaat om een voor de werknemer vrijwillige regeling is gekozen voor een andere invulling van de gelijkwaardigheidstoets dan voor een brutopensioen.

Er is sprake van een gelijkwaardige nettopensioenregeling als voldaan wordt aan de volgende drie elementen:

  • De maximale premie-inleg bij de andere pensioenuitvoerder moet ten minste even hoog zijn als de maximaal mogelijke premie-inleg in de nettopensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
  • Als er sprake is van een werkgeversbijdrage, dan mag deze bij de andere pensioenuitvoerder niet lager zijn dan de werkgeversbijdrage aan de nettopensioenregeling bij het bedrijfstakpensioenfonds.
  • De pensioensoorten van de andere pensioenuitvoerder moeten aansluiten bij de pensioensoorten in de nettopensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Dus als de verplicht gestelde nettopensioenregeling voorziet in ouderdomspensioen en partnerpensioen, dan moet ook de vrijgestelde regeling daarin te voorzien.

Geen dispensatiemogelijkheid voor overheidswerkgevers

Het voorgaande geldt voor werkgevers in de marktsector. Voor overheidswerkgevers geldt de Wet privatisering ABP en niet de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Hierdoor geldt de vrijstellingsbepaling in die wet en het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 niet voor het ABP. Dit betekent dat als een regeling van nettopensioen verplicht is gesteld, een overheidswerkgever niet de keuze heeft de regeling voor nettopensioen door een andere pensioenuitvoerder te laten uitvoeren. Valt de regeling van nettopensioen niet onder de verplichtstelling en de overheidswerkgever wil deze regeling toch aanbieden, dan heeft hij deze keuzemogelijkheid wel.

Commentaar

Met de publicatie van dit conceptbesluit zijn we weer eens tapje dichter bij de concretisering van het nettopensioen. Het is opvallend dat er dispensatie gevraagd moet worden voor een vrijwillige regeling. In bijlage 3 bij het Vrijstellings- en boetebesluit staat immers dat vrijwillige aanvullende verzekeringen buiten beschouwing blijven bij de periodieke toets of sprake i s van een gelijkwaardige regeling. Als er geen aanleiding is om de gelijkwaardigheid periodiek te toetsen, waarom dan wel bij aanvang?

Verder is opvallend dat voor door het ABP uitgevoerde regelingen geen dispensatie mogelijk is. Wij zijn benieuwd wat de Kamer daarvan vindt.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Verslag schriftelijk overleg Tweede Kamer (pdf)