Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Enkel stilzitten leidt tot belaste pensioen uitkering

15 februari 2019

De BV van DGA X keert het pensioen van X niet uit. X geeft zijn pensioenrechten niet prijs, maar wordt wel geacht zijn pensioen te hebben genoten.

BV keert geen pensioen uit; geeft X zijn pensioen prijs?

X is DGA van BV B. BV B kende X in 1993 pensioenaanspraken toe. 1 mei 2013 is de overeengekomen pensioendatum van X. Zijn opgebouwde pensioen is dan € 57.327 per jaar. BV B keert in 2013 geen pensioen uit aan X.

Bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting 2013 corrigeert de belastinginspecteur het box-1 inkomen van X met € 38.218. Dat is het bedrag aan pensioenuitkering dat BV B in 2013 aan X had moeten uitkeren. Volgens de inspecteur heeft X zijn pensioenaanspraak in 2013 prijsgegeven.

X is het daarmee niet eens. Volgens hem is er geen sprake van prijsgeven. Daarvoor is een actieve handeling nodig, aldus X. En die heeft hij niet verricht. Volgens X heeft hij passief geaccepteerd dat de BV het pensioen heeft verlaagd. X gaat in bezwaar, in beroep bij de Rechtbank Den Haag en in hoger beroep bij het Gerechtshof.

Voor het Hof was in geschil of het bedrag van € 38.218 terecht tot het inkomen uit werk en woning is gerekend. Daartoe overwoog het Hof dat X zijn aanspraak op pensioen in 2013 had prijsgegeven (artikel 19b, lid 1 letter c Wet LB), zodat de gehele aanspraak in dat jaar had moeten worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het Hof concludeert daarbij dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

X vindt dat het Hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake is van prijsgeven, terwijl hij geen handelingen heeft verricht die kunnen worden uitgelegd als prijsgeven.

Hoge Raad: pensioen niet prijsgegeven maar wel genoten

Ook bij de Hoge Raad krijgt X geen gelijk. Volgens de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Den Haag miskend dat enkel stilzitten door X onvoldoende is om aan te nemen dat X de aanspraak op pensioen heeft prijsgegeven. Toch kan dat volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof ligt volgens de Hoge Raad namelijk besloten dat de pensioentermijnen die verschuldigd waren in 2013 in dat jaar vorderbaar en inbaar waren. Volgens de Hoge Raad zijn die pensioentermijnen daarom terecht in dat jaar in de heffing van de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen begrepen.

Commentaar

Hoewel het Hof in zijn conclusie al aangaf dat de aanslag eerder te laag dan te hoog was vastgesteld, ging X toch in cassatie. Realiseerde hij zich niet dat hij geluk had gehad met de hoogte van het te belasten bedrag? Of wilde hij bevestigd krijgen dat uitsluitend stilzitten niet leidt tot prijsgeven? Die bevestiging heeft hij met zijn cassatie gekregen.

Vreemd in deze zaak is dat de inspecteur aangaf dat X zijn aanspraken had prijsgegeven. Maar slechts het bedrag van de niet ontvangen jaarlijkse pensioentermijn belastte, terwijl hij eigenlijk – op basis van artikel 19b, Wet Loonbelasting - de waarde in het economische verkeer van de gehele aanspraak had moeten belasten. Die waarde is gelijk aan het bedrag dat hiervoor bij een derde gestort zou moeten worden om diezelfde aanspraak te dekken. Ofwel: de koopsom die nu bij een pensioenverzekeraar gestort zou moeten worden voor een levenslange uitkering van € 57.327.

Voor X maakt het allemaal niet uit. Hij wordt geacht het bedrag van € 38.218 (zijnde de niet ontvangen uitkeringen in 2013) te hebben genoten omdat deze in 2013 vorderbaar en inbaar waren. Enkel stilzitten levert X niet op dat hij geen belasting hoeft te betalen over de niet ontvangen pensioenuitkeringen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 8 februari 2019 en A-G 16 november 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 februari 2019