Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Enkele toetsing aan voorwaarden OBR is geen deugdelijk individueel feitenonderzoek

4 januari 2018

De enkele toetsing door de SVB aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) is geen deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. De beoordeling door de SVB moet plaatsvinden op basis van alle relevante elementen tegen de specifieke achtergrond van de aanvrager.

SVB: AOW-ingangsleeftijd is 66 en geen onevenredig zware last omdat geen aanspraak bestaat op overbruggingsuitkering

De eiseres in deze zaak, mevrouw X, is geboren in 1952. Zij vraagt een AOW-uitkering aan die in 2017 ingaat op haar 65ste verjaardag. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) wijst dit verzoek af omdat de AOW-ingangsdatum voor X inmiddels 66 jaar is. X maak bezwaar tegen het besluit van de SVB , maar de SVB verklaart dit bezwaar ongegrond. De wet gaat uit van een AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar en omdat X niet in aanmerking komt voor een uitkering op basis van de OBR is geen sprake van een onevenredig zware last.
X gaat hiertegen in beroep bij de rechtbank Midden-Nederland. Primair stelt zij zich op het standpunt dat zij vanaf haar 65ste verjaardag recht heeft op AOW. Subsidiair stelt ze dat in haar geval sprake is van een onevenredig zware last en dus van inbreuk op haar eigendomsrecht als de AOW door de wetswijziging op dit gebied later ingaat dan 65 jaar.

Rechtbank: AOW-leeftijd is 66, maar onvoldoende onderzocht of sprake is van onevenredig zware last

De rechtbank stelt ter zake van het primaire verweer van X vast dat zij op grond van artikel 7a van de AOW de pensioengerechtigde leeftijd bereikt in 2018 op haar 66ste verjaardag. De rechtbank treedt op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten. Daarom moet de rechtbank uitgaan van hetgeen in artikel 7a van de AOW is neergelegd. De beroepsgrond van X dat zij vanaf haar 65ste verjaardag aanspraak heeft op een AOW-uitkering slaagt daarom niet.

X beroept zich op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Dit artikel geeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op ongestoord genot van zijn eigendom. Inmenging in het eigendomsrecht kan alleen als het bij wet is voorzien, het een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en er een behoorlijk evenwicht behouden blijft tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de individuele rechten van het individu.

De staat heeft een ruime beoordelingsmarge bij de hantering van deze criteria. Belangrijke toets daarbij is of de ontneming van eigendom in het algemeen belang leidt tot een onevenredig zware last voor betrokkene. Als de betrokkene door de inmenging in het eigendomsrecht een onevenredig zware last moet dragen, is niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) overwoog in eerdere uitspraken dat door de verhoging van de AOW-ingangsleeftijd sprake is van inmenging in het eigendomsrecht van een betrokkene. De CRvB concludeerde echter dat de verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen proportioneel is te achten en niet leidt tot een schending van artikel 1 Eerste Protocol. Of sprake is van een onevenredig zware last moet volgens het EHRM en de CRvB van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld (CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2613 en 2609).

De rechtbank beschouwt de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet als het door de CRvB vereiste deugdelijke individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. Bij deze toetsing betrekt de SVB namelijk uitsluitend de voorwaarden van de OBR. Alle overige omstandigheden blijven buiten beschouwing, zoals de individuele vaste lasten, eventuele andere effecten van de gewijzigde inkomenspositie en andere mogelijk relevante individuele omstandigheden. Het enkele feit dat er in voorkomende gevallen een beroep kan worden gedaan op een overgangsmaatregel kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer leiden tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een onevenredig zware last voor X. Zij verkeert immers in de situatie dat zij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de OBR. Dát is dan ook de situatie waarvan de SVB moet uitgaan bij het onderzoek naar het al dan niet aanwezig zijn van een onevenredig zware last. De beoordeling van de SVB voldoet daarom niet aan de eis dat deze moet plaatsvinden op basis van alle relevante elementen tegen de specifieke achtergrond van X. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit. De SVB zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Commentaar

Deze zaak vertoont grote overeenkomst met de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 augustus 2017. Zie ons nieuwsbericht van  24 augustus 2017. De rechtbank Midden-Nederland komt tot dezelfde conclusie als de rechtbank Overijssel.
Of sprake is van een onevenredig zware last, moet van geval tot geval en aan de hand van de specifieke omstandigheden van dat geval worden beoordeeld. En daarbij zijn alle relevante omstandigheden van belang en moeten worden meegewogen. De SVB ging ervan uit dat als iemand niet in aanmerking komt voor een uitkering op basis van de OBR er dus kennelijk voldoende andere inkomsten zijn en er per definitie geen sprake kan zijn van een onevenredig zware last. Die redenering volgt de rechtbank niet. Ook als er geen recht bestaat op een uitkering op basis van de OBR kan sprake zijn van een onevenredig zware last. De SVB moet nu een nieuw besluit nemen op basis van alle relevante omstandigheden van X. In zoverre is deze uitspraak van de rechtbank een overwinning voor haar. Daarmee is echter niet gezegd dat een nieuw besluit, met inachtneming van alle omstandigheden tot een ander oordeel leidt. Dat zullen we moeten afwachten.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden-Nederland 13 december 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 januari 2018.