Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Evaluatierapport vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente naar Tweede Kamer

Evaluatierapport vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente naar Tweede Kamer

7 september 2020

Op 2 september stuurde staatssecretaris Vijlbrief van Financiën, mede namens minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het evaluatierapport van de vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente naar de Tweede Kamer. Uit de door Willis Towers Watson uitgevoerde evaluatie blijkt dat van de potentiële doelgroep van 200.000 mensen er circa 35.000 gebruik maken van het nettopensioen. Van nettolijfrente wordt in de praktijk nauwelijks gebruik gemaakt.

Historie

In 2015 is het pensioengevende salaris beperkt tot een inkomensgrens van, destijds, € 100.000 (inmiddels € 110.1110). Dit betekent dat pensioenopbouw over het salaris boven deze inkomensgrens niet meer kan met toepassing van de omkeerregel (aanspraak onbelast, uitkering belast). Voor de opbouw van een oudedagsvoorziening boven de grens introduceerde de wetgever het nettopensioen in de tweede pijler en de nettolijfrente in de derde pijler. De bijdragen hiervoor betalen de deelnemers uit hun netto-inkomen en de uitkeringen zijn onbelast. De waarde van de opgebouwde aanspraken valt in principe in box 3, maar door de invoering van een vrijstelling voor de waarde van de opgebouwde aanspraken is er geen rendementsheffing over verschuldigd. Deze vrijstelling in box 3 vormt in feite de fiscale facilitering van nettopensioen en nettolijfrente. De opbouw van een nettopensioen of nettolijfrente is gemaximeerd. Bij een niet-toegestane handeling, bijvoorbeeld afkoop, wordt de gegeven vrijstelling in box 3 via een forfaitaire benadering teruggenomen.

Evaluatie WTW

WTW onderzocht door middel van interviews met deskundigen en betrokkenen, een enquête onder deelnemers en analyse van gegevens van de Belastingdienst het nettopensioen en nettolijfrente in de praktijk. Het blijkt dat van de potentiële doelgroep van 200.000 mensen circa 35.000 mensen (circa 17%) deelnemen aan een nettoregeling. Dit betreft vooral nettopensioen. Van nettolijfrente wordt in de praktijk nauwelijks gebruik gemaakt.

De respondenten in het deelnemersonderzoek geven een aantal oorzaken aan voor dit relatief geringe gebruik van de nettoregelingen;

  • het kapitaal is niet vrij opneembaar en;
  • de regeling voorziet niet in de (verder niet gespecificeerde) behoeften van de deelnemers.

Bij degenen die wel deelnemen komt dit door;

  • vertrouwen in de pensioenuitvoerder,
  • het fiscale voordeel van de vrijstelling en;
  • de uitkering en risicodekking voor nabestaanden bij overlijden voor de pensioendatum.

 

Voor de deelname blijkt met name van belang te zijn of sprake is van ‘opt-in’ (actieve keuze nodig om deel te nemen) of ‘opt-out’ (deelname is automatisch geregeld en actieve keuze is nodig om niet deel te nemen). In het laatste geval (bij opt-out) blijkt de deelnamegraad veel hoger te liggen. De meerderheid van de regelingen via pensioenfondsen is vormgegeven als opt-out.

Doeltreffendheid en doelmatigheid
Belangrijke vragen bij een evaluatie van een fiscale regeling zijn de mate van doeltreffendheid en doelmatigheid van het budgettaire beslag bij het bereiken van het doel van de regeling. Het doel van de vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente is het bieden van een faciliteit voor het opbouwen van een oudedagsvoorziening voor het inkomen boven de inkomensgrens. De doeltreffendheid kan beoordeeld worden op de vraag of de vrijstelling van belang is voor de gebruikers en op de vraag of er belemmeringen zijn om gebruik te maken van de vrijstelling.

Uit het onderzoek van WTW blijkt dat de vrijstelling een belangrijke rol speelt bij het aanbieden en gebruik maken van nettoregelingen en daarmee bijdraagt aan het toegankelijk maken van deze regelingen. Ook de mogelijkheid van het verzekeren van het nabestaandenpensioen wordt hiermee vergroot. Voorts blijkt uit het onderzoek dat de vrijstelling voor de deelnemers van significant belang is omdat deze,  in combinatie met de door de collectiviteit lagere vermogensbeheerkosten, meer dan 20% kan uitmaken in het netto pensioenresultaat ten opzichte van zelf beleggen.

WTW geeft aan dat als de realisatie van de vrijstelling het enige oogmerk zou zijn voor het bestaan van de nettoregelingen, dit nauwelijks in verhouding zou staan tot de aanzienlijke uitvoeringskosten. Er zijn goedkopere manieren van lastenverlichting, zoals bijvoorbeeld een verhoging van de inkomensgrens voor pensioenopbouw of een generieke verlaging van het tarief in box 3. Maar volgens WTWis het belang van de nettoregelingen breder dan alleen de realisatie van het fiscale voordeel van de vrijstelling, namelijk het belang van het toegankelijk maken van deze regelingen. Vanuit dat perspectief beschouwt WTW de vrijstelling als voldoende doelmatig.

Aanbevelingen

Uit het onderzoek van WTW blijkt dat de beperking van de pensioenopbouw tot een inkomensgrens en de invoering van nettoregelingen daarboven tot verdere complexiteit in het pensioendomein heeft geleid. De aanbevelingen die WTW doet hebben dan ook vooral betrekking op het verminderen van wat volgens het rapport onnodige complexiteit is.

Zo wijst WTW erop dat voor de nettopensioenregelingen maximaal de 3%-staffel mag worden gebruikt, terwijl bij brutoregelingen ruimere kostprijsstaffels mogelijk zijn. Tevens stelt WTW voor, de zogenaamde eventtoets, bij de 3%-staffel af te schaffen.

WTW geeft aan dat juist door de hoge uitvoeringskosten en het ontbreken van automatische waardeoverdracht van kleine nettopensioenen het zwaar weegt dat de afkoopmogelijkheden van kleine nettopensioenen beperkt zijn. WTW stelt voor te onderzoeken óf dan wel onder welke voorwaarden de wetgever mogelijkheden tot waardeoverdracht of afkoop van kleine nettopensioenen kan verruimen, wellicht tot zelfs het gehele kapitaal, onder aftrek van het genoten box-3-voordeel.

Het beperken van de vereisten van fiscale hygiëne tot het inkoopmoment levert volgens WTW een kostenbeperking voor de pensioenfondsen op.

Een grotere aanpassing die WTW voorstelt, is het niet meer tot de inkomensgrens beperken van de risicodekking voor partnerpensioen. WTW geeft aan dat vooral kleinere ondernemingen zo in staat zijn toch in de reguliere pensioenvoorziening al te kunnen voorzien in een risicodekking bij overlijden voor het salarisdeel boven de inkomensgrens.

Voor wat betreft het shoprecht beveelt WTW aan om fondsen daarvoor meer ruimte te geven en verwijst daarbij naar het ingetrokken wetsvoorstel fuserende bedrijfstakpensioenfondsen. Over een generiek shoprecht zijn de meningen van de geïnterviewden in het onderzoek verdeeld.

Vervolg

Het kabinet onderschrijft het belang van de mogelijkheid een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen. Daarbij tekent het wel aan dat het de vraag is of de huidige nettoregelingen hierin voorzien, gegeven het relatief beperkte gebruik en de gesignaleerde knelpunten, met name in uitvoeringskosten en complexiteit. Een eventuele aanpassing van de fiscale behandeling van pensioenen kan volgens de staatssecretaris het beste in samenhang met de rest van het fiscale stelsel ondernomen worden. Het rapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel dat onlangs aan de Tweede Kamer is gezonden, biedt hiervoor volgens Vijlbrief mogelijkheden.

Wat betreft de aanbevelingen die gedaan worden in het rapport van WTW, merkt de staatssecretaris op dat voor zover die raken aan of al verwezenlijkt worden in de aanstaande pensioenhervorming het niet zinvol is om op dit moment nog met concrete voorstellen te komen. Dit betreft onder andere de beperking tot de 3%-staffel en de eventtoets, die niet meer relevant zijn in het nieuwe fiscale kader. Ook het punt van de fiscale hygiëne wil hij nader bezien in samenhang met het nieuwe contract.

Het voorstel om de risicodekking voor partnerpensioen buiten de beperking tot de inkomensgrens te houden, kan het beste bezien worden in samenhang met de uitkomsten van de herziening van het nabestaandenpensioen in het algemeen.

Voor wat betreft de aanbeveling voor het shoprecht heeft de staatssecretaris  geen aanleiding om te veronderstellen dat er meer draagvlak is dan ten tijde van het intrekken van het wetsvoorstel fuserende bedrijfstakpensioenfondsen (zie ons nieuwsbericht van 22  juni 2018). De andere mogelijke beleidsimplicatie uit dit onderzoek ziet op het verruimen van de afkoopmogelijkheden van kleine nettopensioenen. Dit zal de komende tijd verder onderzocht worden.

Commentaar

Het nettopensioen en de nettolijfrente is alleen relevant voor deelnemers in een pensioenregeling met een salaris van meer dan € 110.111. Zoals uit deze evaluatie blijkt, zijn dat er niet zo veel. En van die groep maakt maar een zeer beperkt aantal gebruik van de regeling.  Misschien vinden de overigen dat er andere en aantrekkelijker alternatieven zijn om het door de aftopping van het pensioengevend salaris veroorzaakte pensioengat te dichten. Het blijkt dat van de deelnemers aan een nettopensioenregeling een flink deel alleen het nabestaandenpensioen op deze wijze aanvult. Wat dat betreft kan het voorstel om de aftopping voor het nabestaandenpensioen te schrappen op onze warme sympathie rekenen. Zeker als het nabestaandenpensioen voor de pensioendatum, zoals voorgesteld door de Stichting van de Arbeid in zijn Advies nabestaandenpensioen, volledig op risicobasis gefinancierd wordt, kan er per definitie geen sprake zijn van verkapte vermogensvorming. Net zoals dat het geval is bij een arbeidsongeschiktheidspensioen, dat om die reden en volkomen terecht gebaseerd mag zijn op het volledige salaris. Ook als dat meer bedraagt dan € 110.111. Bij een nabestaandenpensioen op risicobasis is er naar onze mening dan ook geen enkele reden om dit anders te behandelen.

Met betrekking tot de afkoopmogelijkheden wijzen wij nog op het onlangs ingediende wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen, waarin ook voor nettopensioen en netto lijfrente een mogelijkheid om 10% van de waarde van de aanspraken af te kopen wordt geïntroduceerd.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 2 september 2020 inzake de evaluatie vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 september 2020.