Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Ex-echtgenote heeft eigen aanspraak op BPP

Ex-echtgenote heeft eigen aanspraak op BPP

8 mei 2020

Heeft een ex-echtgenote recht op een eigen aanspraak op bijzonder partnerpensioen ingeval van een letter C-polis? Volgens de rechter wel.

Letter C-polis en aanspraak op BPP

De heer X (geboren op 2 mei 1953) trouwde op 2 april 1980 met Y. Het huwelijk is op 2 november 2004 door echtscheiding ontbonden.

X sloot op 31 december 1989 een levensverzekering bij verzekeraar S. Volgens het aanvraagformulier betrof de levensverzekering een spaarverzekering in de zin van artikel 2, lid 4, sub C van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). De polis vermeldt dat X verzekeringnemer is; dat het een Particulier Pensioen Plan betreft en dat de begunstiging achtereenvolgens luidt: 1. Verzekeringnemer, 2. Echtgenote verzekeringnemer, 3. Kinderen verzekeringnemer en 4. Erfgenamen verzekeringnemer. De einddatum van de levensverzekering is 1 juni 2018. De polis vermeldt verder onder Uitkeringen: “Bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum wordt de Geldswaarde van het Beleggingdepot uitgekeerd. Bij eerder overlijden de tot dan gevormde depotwaarde, met een minimum van de betaalde premie.”

Op het polisaanhangsel van de levensverzekering staat dat het een verzekering is waarop de PSW en de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW (de Regelen) van toepassing zijn en dat een uitkering zal plaatsvinden in de vorm van pensioen op het leven van de begunstigde, diens echtgenote en/of minderjarige kinderen.

Na ontvangst van het formulier “Mededeling van scheiding in verband verdeling van ouderdomspensioen” wijzigt verzekeraar S in 2016 de begunstiging van de pensioenpolis als volgt:

  1. Verzekeringnemer
  2. Mevrouw Y voor een bedrag ter grootte van de depotwaarde op datum echtscheiding d.d. 2-11-2004 (of lagere depotwaarde op het moment van overlijden van de verzekeringnemer) en mevrouw Z voor het meerdere van dit bedrag. Bij vooroverlijden van mevrouw Y is mevrouw Z begunstigde voor de gehele uitkering. Bij vooroverlijden van mevrouw Z gaat het meerdere van het genoemde bedrag naar de onder 3 genoemde begunstigden.
  3. Kinderen verzekeringnemer
  4. Erfgenamen verzekeringnemer.

 

Kennelijk is mevrouw Z in 2016 de nieuwe partner van X.

Het polisaanhangsel met de gewijzigde begunstiging voorziet verzekeraar S van de volgende tekst:

“Mevrouw Y heeft vanaf de pensioeningangsdatum recht op directe uitbetaling van de helft van de uitkeringen die samenhangen met de depotwaarde op 2-11-2004, die worden gedaan indien en voorzover zij en de begunstigde onder 1. beiden in leven zijn. Bij vooroverlijden komt de gehele uitkering ten goede aan de heer X.”

X is het niet eens met de inhoud van het polisaanhangsel dat S na de scheiding aan X stuurde. Volgens hem bevat zijn pensioenverzekering geen aanspraken op bijzonder partnerpensioen (BPP). X wil dat S de tekst van het polisaanhangsel aanpast.

De rechtbank wees dit verzoek van X af omdat er volgens de rechtbank op grond van artikel 8a PSW (tegenwoordig in de Pensioenwet: artikel 57) een aanspraak op BPP is ontstaan. X gaat in beroep.

Aanspraak op weduwenpensioen bij scheiding?

In het hoger beroep staat niet meer ter discussie dat Y recht heeft op uitbetaling van de helft van het ouderdomspensioen dat kan worden aangekocht op basis van de depotwaarde per 2-11-2004. Het geschil ziet met name op de vraag of gedurende het huwelijk een aanspraak op weduwenpensioen is opgebouwd en toegezegd dat ingaat bij het vooroverlijden van X voor de einddatum van de pensioenverzekering en Y dat recht na de scheiding heeft behouden. Volgens het hof staat vast dat X en Y geen van de wet afwijkende regeling hebben getroffen met betrekking tot het nabestaandenpensioen in een akte van verdeling of convenant.

Volgens verzekeraar S moet bij in leven zijn van X en Y op de einddatum niet alleen een direct ingaand ouderdomspensioen worden aangekocht op het leven van X, maar moet ook een nabestaandenpensioen worden verzekerd ten behoeve van Y ter grootte van 70% van het direct ingaande ouderdomspensioen. X is van mening dat er pas een pensioenaanspraak of pensioenrecht kan ontstaan na uitkering van de verzekering omdat dan pas bekend is wie de gerechtigde is op het aan te kopen pensioen.

Het hof is het niet eens met X. Volgens het hof ontstaat een pensioenaanspraak niet pas na uitkering van de verzekering, maar op het moment dat de werkgever de pensioentoezegging heeft gedaan. En dat geldt ook voor een aanspraak op een kapitaaluitkering die voortvloeit uit beschikbaar gestelde pensioenpremies. Het hof baseert zich hierbij onder meer op de Pensioenwet. (artikelen 1 en 10a). Een pensioenaanspraak is volgens het hof een voorwaardelijk vorderingsrecht dat al bestaat op het tijdstip van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, ook al is het pensioen op dat tijdstip nog niet tot uitkering gekomen. Dit blijkt uit HR 7 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271.

Verder constateert het hof dat volgens artikel 22 van de Regelen de gewezen echtgenoot per de datum van echtscheiding een premievrije pensioenaanspraak krijgt die gelijk is aan de aanspraak die zou hebben bestaan als de verzekering op dat moment beëindigd zou zijn.

Op basis van dit alles wijst het hof de vorderingen van X af.

Commentaar

X wilde duidelijk zo min mogelijk van zijn – tijdens het huwelijk -opgebouwde pensioen na de scheiding delen met zijn ex-echtgenote. Helaas voor hem is de wet hierin duidelijk: tenzij anders overeengekomen heeft de ex-echtgenoot recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en daarnaast het tot de scheidingsdatum opgebouwde partnerpensioen. Dat geldt niet alleen onder de PW, maar gold ook al onder de PSW. Dat de pensioenverzekering een zogenoemde ‘letter –C polis’ betrof, waarbij de werknemer als verzekeringnemer optreedt, verandert daarin niets.

Zo’n ‘letter-C polis’ kan sinds de ingang van de Pensioenwet (PW) op 1 januari 2007 niet langer gesloten worden als gevolg van de onderbrengingsplicht in de PW (art. 23).

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 21 januari 2020 (datum publicatie: 16 maart 2020); ECLI:NL:GHAMS:2020:111

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 mei 2020