Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Flexibele AOW-datum nauwelijks invloed op keuze pensioenleeftijd

1 augustus 2017

Klijnsma stuurde op 14 juli de Kamer het onderzoeksrapport met betrekking tot de meerwaarde van een flexibele AOW-datum. Volgens het onderzoek heeft een flexibele AOW nauwelijks invloed op de feitelijke keuze van de pensioenleeftijd.

Onderzoek naar de meerwaarde van een flexibele AOW-datum

Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurde het eindrapport van het onderzoek op 14 juli 2017 naar de Tweede Kamer, zonder een standpunt daarover in te nemen.

Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Kerstens in 2016 (Kamerstukken 2016/17, 34 414, nr. 10).

Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel brengt de huidige mogelijkheden tot eerder en later uittreden in de tweede pijler in beeld. Het tweede deel van het onderzoek gaat na voor welke groepen de flexibiliteit in de tweede pijler onvoldoende aansluit bij de behoeften en in hoeverre een flexibele AOW-leeftijd hiervoor een oplossing is.

Onderzoeksresultaten

Op basis van de resultaten van de enquête blijkt dat mensen een sterke voorkeur hebben voor vervroegd pensioen, vooral in deeltijd. Een flexibele AOW-leeftijd beïnvloedt deze keuze echter niet, aldus de onderzoekers.

Van de werkenden kan 11% niet eerder dan op AOW-leeftijd met pensioen zonder onder het sociaal minimum te komen. De helft daarvan heeft geen volledige AOW opgebouwd.

6% van de werkenden kan een maand tot een jaar eerder met pensioen.

De overige 83% kan minimaal 12 maanden voor AOW-leeftijd met pensioen zonder onder het sociaal minimum te komen. Bijna 70% van de werkenden kan meer dan drie jaar eerder met pensioen zonder onder het sociaal minimum te komen.

49% van de werkenden geeft aan voldoende aanvullend pensioen of vermogen te hebben om minimaal een jaar vóór de AOW-leeftijd met pensioen te kunnen zonder onder het benodigde inkomen te komen.

Op dit moment maakt een kwart tot de helft van de pensioendeelnemers gebruik van de mogelijkheid om eerder uit te treden, vooral degenen met een hoger inkomen. Er wordt weinig gebruikgemaakt van de mogelijkheid om met deeltijdpensioen te gaan, terwijl enquêtes laten zien dat hier bij werknemers wel behoefte aan is.

Commentaar

Op 21 februari 2017 stemde de Tweede Kamer tegen het initiatiefwetvoorstel dat Norbert Klein in 2016 indiende om de Algemene Ouderdomswet (AOW) te wijzigen. U leest daarover meer in het nieuwsbericht dat wij daarover schreven. Het lijkt erop dat dit onderzoek bevestigt dat de Tweede Kamer terecht het intiatiefwetsvoorstel afwees.

Norbert Klein stelde in zijn voorstel de voorwaarde dat het vrijwillig naar voren halen van het AOW-pensioen niet mag leiden tot een beroep op de Participatiewet. Bij het starten van de flexibele AOW moest daarom blijvend en duurzaam over een zeker minimaal netto inkomen kunnen worden beschikt op het moment dat het AOW-pensioen eerder ingaat. Volgens het onderzoek dat Klijnsma naar de Kamer stuurde kan hierdoor 11% van de werkenden geen gebruik maken van het eerder in laten gaan van de AOW.

De overige werknemers kunnen door de flexibilisering van hun tweede pijlerpensioen wel eerder met pensioen. In dat geval maken zij gebruik van de mogelijkheid om binnen hun tweede pijlerpensioen op een of andere manier de AOW-uitkering te overbruggen.

Het valt ook op dat er onder de werkenden een grote behoefte is aan deeltijdpensioen maar dat slechts weinigen hiervan al gebruik maken. Het is interessant om te onderzoeken waaraan dat ligt. Werken werkgevers of pensioenuitvoerders hieraan niet mee of weten werknemers niet hoe ze dit voorelkaar moeten krijgen? Of mist men misschien een totaal financieel overzicht waardoor het daadwerkelijke besluit om met deeltijdpensioen te gaan niet genomen wordt?

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rijksoverheid, Onderzoeksrapport flexibilisering AOW

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 juli 2017