Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Geboortedatum in brp bepalend voor uitkering

Geboortedatum in brp bepalend voor uitkering

23 juli 2020

De Sociale Verzekeringsbank heeft terecht een nabestaandenuitkering herzien en teruggevorderd nadat de geboortedatum van Y is gewijzigd en deze wijziging is opgenomen in de Basisregistratie personen.

Svb vordert teveel betaalde bedragen terug na wijziging geboortedatum

Mevrouw Y ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd kende de Sociale Verzekeringsbank (Svb) haar met ingang van september 2014 een AOW-uitkering toe ter hoogte van 80% van het maximale bedrag en een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). De Svb ging daarbij uit van [geboortedatum 1] 1949 als geboortedatum van Y.

Op 9 november 2015 ontving de Svb een melding van de Basisregistratie personen (brp) dat de geboortedatum van Y is gewijzigd in [geboortedatum 2] 1949.

In verband met de gewijzigde geboortedatum herziet de Svb de AOW-datum en de hoogte van de AOW-uitkering. De Svb vervroegt de AOW-datum naar 1 maart 2014 en het percentage wordt 78%. Hierdoor heeft Y recht op een nabetaling van € 5.227 over maart 2014 tot en met augustus 2014. Ook de AOW-uitkering en de AIO-aanvulling herziet de Svb over september 2014 tot en met oktober 2016 in verband met het gewijzigde kortingspercentage. Verder is de einddatum van de nabestaandenuitkering vervroegd naar 28 februari 2014. De over de periode maart 2014 tot en met augustus 2014 onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering ter grootte van € 7.967 vordert de Svb van Y terug. Na verrekening van de te veel betaalde nabestaandenuitkering met de nabetaling van de AOW-uitkering resteert een bedrag van € 2.740 van de nabestaandenuitkering dat de Svb terugvordert. Dit bedrag wordt nadat Y bezwaar maakt door de rechtbank teruggebracht naar € 2.560. Y gaat in hoger beroep.

Svb verplicht om uit te gaan van gegevens brp

Y voert in hoger beroep aan dat de Svb ten onrechte haar nabestaandenuitkering heeft herzien en teruggevorderd. Volgens Y heeft de rechtbank in Marokko de wijziging van haar geboortedatum ambtshalve vastgesteld en had de Svb deze wijziging niet zonder meer mogen overnemen uit de brp. Verder voert Y aan dat haar door de gewijzigde geboortedatum een deel nabestaandenuitkering is ontnomen, waardoor sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Tot slot voert zij aan dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien omdat zij hogere kosten heeft vanwege medische omstandigheden, waaronder de psychische druk die zij ervaart. De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) stelt Y in het ongelijk en onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de herziening.

Volgens de Raad is de Svb verplicht bij de vervulling van zijn taak uit te gaan van een in de brp beschikbaar authentiek gegeven en heeft zij geen bevoegdheid om hiervan af te wijken. Dat volgt uit de artikelen 1.6 en 1.7 van de Wet brp.

De Raad is van mening dat het Y duidelijk had kunnen zijn dat zij te veel nabestaandenuitkering had ontvangen, nu haar geboortedatum was gewijzigd naar een eerdere datum. Volgens de Raad heeft de rechtbank terecht het betoog van Y niet gevolgd, dat de wijziging van haar geboortedatum door de rechtbank in Marokko heeft plaatsgevonden zonder haar medeweten. Uit de gedingstukken blijkt dat Y zelf om deze wijziging heeft verzocht. De omstandigheid dat zij zich op dat moment niet bewust was van de gevolgen van de wijziging van haar geboortedatum komt voor haar rekening en risico. Voor de Svb bestond geen aanleiding om op grond van het beleid geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening.

Voor wat betreft de terugvordering geeft de Raad aan dat de Svb gehouden is tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen kunnen volgens vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Volgens de Raad is gesteld noch gebleken dat Y ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie, als hiervoor bedoeld, terecht is gekomen. Er is geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien, aldus de Raad.

Tot slot beantwoordt de Raad de vraag of de herziening van de nabestaandenuitkering ten gevolge van de gewijzigde geboortedatum van appellante een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het eigendomsrecht van appellante, ontkennend. Weliswaar kan een toegekend recht op nabestaandenuitkering als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol worden beschouwd, maar hier is geen sprake van ongerechtvaardigde ontneming van een bestaand recht. Y kon slechts een legitieme verwachting hebben dat zij tot haar pensioengerechtigde leeftijd recht zou hebben op de nabestaandenuitkering, nu in artikel 16, tweede lid, van de ANW is vastgelegd dat het recht dan eindigt. Volgens de Raad valt niet in te zien dat het de Svb niet vrij zou staan om de nabestaandenuitkering te herzien, nu Y op een eerdere datum de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en dat artikel 1 van het Eerste Protocol zich daartegen zou verzetten.

Commentaar

Regelmatig komt het voor dat de Svb teveel betaalde uitkeringen terugvordert. De Svb moet dit wettelijk ook doen: het gaat immers om gemeenschapsgeld. Het is wel logisch dat de ontvanger van de uitkering het niet prettig vindt om een eerder ontvangen bedrag terug te moeten betalen en bezwaar aantekenen.

De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Daarvan is meestal geen sprake. Zie bijvoorbeeld onze berichten van 20 september 2019 of van 7 november 2019. Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij is van belang de mate waarin een betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de herziening onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van de betrokkene. De wijziging van de geboortedatum in het brp (naar aanleiding van een wijzigingsverzoek van Y) kan de Svb in ieder geval niet verweten worden. Zij is verplicht om die gegevens te volgen.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 juli 2020

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van beroep, 11 juni 2020; publicatiedatum 23 juni 2020