Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Geen aanvullende (schade)vergoeding bij opzegging uitvoeringsovereenkomst met pensioenfonds door werkgever

29 mei 2019

Werkgeverscoöperatie zegt uitvoeringsovereenkomst met pensioenfonds op de wijze zoals bepaald in de overeenkomst. Er is geen verplichting voor de werkgever om alle deelnemers bij het pensioenfonds onder te blijven brengen. Evenmin brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de werkgever gehouden is een aanvullende (schade)vergoeding aan te bieden.

Uitvoeringsovereenkomst opgezegd

Een ondernemingspensioenfonds voert de pensioenregeling uit voor de werknemers van werkgeverscoöperatie Y. Daartoe sluit Y een uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds. Vanaf 1 januari 2009 is sprake van een gesloten groep deelnemers. Nieuwe deelnemers komen in een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling.
De laatste uitvoeringsovereenkomst tussen het pensioenfonds en Y dateert uit 2010. Daarin staat onder meer; “deze uitvoeringsovereenkomst kan uitsluitend worden beëindigd zowel door de werkgever als door het pensioenfonds bij schriftelijke mededeling mits daarbij in acht wordt genomen een opzegtermijn van 12 maanden alsmede de bepalingen volgens artikel 16 lid 4 van het Pensioenreglement 2006 zoals dat luit op 1 januari 2010. (…) Bij een beëindiging als hiervoor bedoeld treden partijen in overleg over de vergoeding door de werkgever aan het pensioenfonds van de nog te maken kosten voor nakoming van de rechten en aanspraken die zijn opgebouwd tijdens de werkingsduur van deze overeenkomst en de daaraan voorafgaande overeenkomsten”.
Y zegt de uitvoeringsovereenkomst per 1 januari 2015 op en voert een nieuwe pensioenregeling in die hij onderbrengt bij het Pensioenfonds voor de Zuivelindustrie.

Pensioenfonds was in onderdekking

Het pensioenfonds beschikte in 2008 niet meer over het wettelijk minimaal vereist eigen vermogen en het wettelijk vereist eigen vermogen. In maart 2009 diende het daarom een korte en een lange termijn herstelplan in bij DNB. In de voorziening voor pensioenverplichtingen (VPV) hield het pensioenfonds rekening met een opslag van 1% voor toekomstige uitvoeringskosten. Zowel de externe accountant als de actuaris concludeerden in 2009 dat de opslag mogelijk te laag is. Uit door het bestuur ingesteld onderzoek blijkt dat een opslag van 1,5% een betere inschatting is van de toekomstige uitvoeringskosten.
Partijen passen daarop de uitvoeringsovereenkomst aan en komen overeen dat pas bij de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgesteld hoeveel de toekomstige uitvoeringskosten zullen bedragen. Indien dit meer is dan waarmee in de VPV is rekening gehouden, dan betalen de aangesloten werkgevers dit meerdere.

Uitleg aangepaste uitvoeringsovereenkomst

Na de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst verschillen partijen van mening over de uitleg van de aangepaste uitvoeringsovereenkomst.

Het pensioenfonds is van mening dat de bepaling niet ziet op het vaststellen van een voorziening voor de uitvoeringskosten, maar op het vaststellen van een vergoeding voor de afwikkeling van de uitvoeringsovereenkomst nadat deze per 1 januari 2015 is opgezegd. Het vaststellen van een voorziening is immers volgens het fonds een verantwoordelijkheid van het fonds. Y bestrijdt dit en stelt dat, hoewel het fonds verantwoordelijk is voor de vaststelling van een voorziening voor de toekomstige uitvoeringskosten, de vergoeding moet zijn gebaseerd op de benodigde voorziening. Het fonds stelt daarnaast dat bij het vaststellen van de voorziening toekomstige uitvoeringskostenrekening gehouden dient te worden met een opslag voor de instandhouding van het vereiste eigen vermogen van 17% om te voorkomen dat de dekkingsgraad verwatert. Y betwist dit en stelt dat het door hem te betalen bedrag slechts de werkelijk gemaakte kosten hoeft te dekken en derhalve niet de dekkingsgraad.

Beoordeling van het geschil door de kantonrechter

Volgens de kantonrechter is tussen partijen in geschil of Y onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de redelijkheid en billijkheid (i) de pensioenregeling per 1 januari 2009 te sluiten voor nieuwe deelnemers en (ii) door de uitvoeringsovereenkomst 2010 met ingang van 1 januari 2015 op te zeggen zonder aanbod tot (schade) vergoeding.

Sluiten pensioenregeling niet onredelijk en dus niet onrechtmatig

De kantonrechter concludeert dat de Pensioenwet niet voorziet in de verplichting om alle werknemers onder te (blijven) brengen bij de pensioenuitvoerder waarmee in eerste instantie een uitvoeringsovereenkomst is afgesloten. Niet gesteld of gebleken is dat Y op grond van een redelijke uitleg van de uitvoeringsovereenkomst verplicht is alle nieuwe werknemers bij HET PENSIOENFONDS aan te melden. De in 2007 afgesloten uitvoeringsovereenkomst, die ten tijde van het sluiten van de regeling van kracht was, voorziet in een opzeggingsmogelijkheid. Daaruit kan volgens de kantonrechter worden afgeleid dat het niet aanmelden van deelnemers, wat minder vergaande consequenties heeft dan opzegging van de uitvoeringsovereenkomst, in beginsel mogelijk moet worden geacht. Bovendien is in de uitvoeringsovereenkomst 2010 uitdrukkelijk overeengekomen dat werknemers die vanaf 1 januari 2009 in dienst treden bij Y niet worden verzekerd bij het pensioenfonds. Partijen waren het hierover dus kennelijk eens, aldus de kantonrechter. Het sluiten van de pensioenregeling voor nieuwe deelnemers kan volgens hem dan ook niet worden beoordeeld als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Van onrechtmatig handelen is daarom evenmin sprake. Dat het pensioenfonds in 2009 in een herstelsituatie verkeerd en naar eigen zeggen nadeel heeft ondervonden door het uitblijven van premie-inkomsten van nieuwe deelnemers, maakt dat volgens de kantonrechter niet anders.

Redelijkheid en billijkheid leiden niet tot aanvullende (schade)vergoeding

De kantonrechter concludeert dat de ruimte voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid zeer beperkt is, omdat partijen uitdrukkelijk hebben voorzien in een opzegmogelijkheid waarbij zij ook gedetailleerd de voorwaarden voor de opzegging hebben geregeld, waaronder een vergoeding voor de uitvoeringskosten aan het pensioenfonds.
Naar het oordeel van de kantonrechter brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de omstandigheden van het geval niet mee dat de opzegging door Y gepaard moet gaan met het aanbod tot een aanvullende (schade)vergoeding. Als Y de uitvoeringsovereenkomst niet had opgezegd, zou het pensioenfonds geen andere betalingsverplichting hebben gehad dat betaling van een kostendekkende premie. De uitvoeringsovereenkomst voorzag immers niet in onvoorwaardelijke aanvullende betalingsverplichtingen, zoals een bijstortverplichting voor Y voor situaties waarin het pensioenfonds niet beschikt over het wettelijk (minimaal) vereist eigen vermogen.

De kantonrechter stel verder vast dat het pensioenfonds gebonden is aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Pensioenwet. Vanwege de complexiteit en grote verantwoordelijkheid van pensioenuitvoering stelt de Pensioenwet strenge eisen aan het pensioenfonds, onder meer ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid van het bestuur, de besluitvorming en het te voeren beleid. Het is volgens de kantonrechter de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds om zorg te dragen voor een deugdelijke financiering en het opbouwen van reserves, zodat te allen tijde wordt beschikt over voldoende vermogen om de pensioenverlichtingen te dekken. En, zo gaat hij verder, van het pensioefonds als deskundig pensioenfonds mag verwacht worden dat zij in staat is haar positie – in het licht van de belangen waarvoor zij verantwoordelijk is – veilig te stellen. Opzegging van de overeenkomst is immers in beginsel toelaatbaar en het behoort tot het bedrijfsrisico dat bij een verbreking van de uitvoeringsovereenkomst nadelige gevolgen ontstaan voor het pensioenfonds.

De kantonrechter wijst de eisen van het pensioenfonds dan ok af.

Commentaar

Een werkgever die met zijn werknemers een pensioenovereenkomst aangaat, moet deze onderbrengen door een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst af te sluiten en in stand te houden bij een externe pensioenuitvoerder (artikel 23 Pensioenwet). Maar de werkgever is niet gehouden om richting de pensioenuitvoerder meer te doen dan direct uit de pensioenovereenkomst voortvloeit. De pensioenuitvoerder heeft een eigen verantwoordelijk om er voor te zorgen dat hij aan zijn verplichtingen kan voldoen. Als de werkgever zijn verplichtingen uit hoofde van de uitvoeringsovereenkomst nakomt, moet het pensioenfonds verder zijn eigen broek op houden. De kantonrechter wijst het bestuur van het fonds daar nog eens fijntjes en in niet mis te verstane bewoordingen op.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Rechtbank Rotterdam, 3 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3875

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 mei 2019.