Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen afstorting pensioen eigen beheer bij echtscheiding

18 juli 2016

De aandelen in een BV, waarin de vrouw pensioen in eigen beheer opbouwde, worden na scheiding toebedeeld aan de man. Volgens het Hof heeft de man tegenover zijn ex geen afstortingsverplichting.  

De feiten

In 2012 eindigt het huwelijk tussen een man en een vrouw. Tijdens het huwelijk hield de vrouw alle aandelen in de BV. Zij bouwde pensioen op in eigen beheer bij de BV. Tijdens de echtscheidingsprocedure komen de man en de vrouw overeen dat de man de aandelen van de BV overneemt. De pensioenvoorziening op de balans van de BV bedraagt dan € 170.692. De rechtbank bepaalde dat de man dit bedrag moet afstorten op een door de vrouw aan te geven wijze. 

Gerechtshof

In hoger beroep stelt de vrouw dat het bedrag van € 170.692 onvoldoende is om de opgebouwde pensioenaanspraken aan te kopen bij een verzekeraar. Volgens haar is hiervoor een bedrag nodig van ongeveer € 286.000. Zij verzoekt het Hof daarom te bepalen dat de man de commerciële waarde van de pensioenverplichting moet afstorten. 

Het Hof overweegt als volgt. De vrouw verzocht in eerste aanleg afstorting van een bedrag van € 170.692. Tegen dit bedrag voerde de man geen verweer. Dus kennelijk bestond tijdens de procedure bij de rechtbank overeenstemming over het af te storten bedrag.

Omdat de aandelen van de BV worden overgedragen aan de man meent de vrouw dat ze recht heeft op afstorting van de contante waarde van haar pensioenaanspraak door de BV. Kennelijk baseert zij dit recht op de jurisprudentie. Die jurisprudentie ziet op situaties dat een vereveningsgerechtigde het recht heeft op afstorting van het pensioen dat hem/haar op basis van verevening toekomt. Maar de vrouw is niet vereveningsgerechtigde. Het gaat immers over een door haar opgebouwd pensioen. De jurisprudentie met betrekking tot afstorting van te vereven pensioen is hier helemaal niet van toepassing. Er is geen grond voor een afstortingsverplichting, laat staan dat de vrouw een hoger bedrag kan eisen. In dit geval is de verplichting tot afstorting uitsluitend gebaseerd op de daarover tussen partijen bestaande afspraak. Het hof kan daarom niet bepalen dat een hoger bedrag moet worden afgestort dan het overeengekomen bedrag van € 170.692.

Commentaar

Partijen gingen in de procedure bij de rechtbank in eerste instantie uit van een pensioenwaarde van € 170.692. Kennelijk was dit de waarde van de pensioenvoorziening op de fiscale balans. Zij kwamen overeen dat dit zou worden afgestort. Omdat de aandelen van de BV door de man werden overgenomen meende de vrouw dat ze recht had op afstorting van de commerciële waarde van € 286.000. Het Hof bepaalt in elk geval dat er geen gronden bestaan voor een afstortingsverplichting omdat het hier niet gaat om een verevend pensioen. Maar betekent dit dat de vrouw überhaupt geen recht heeft op een hoger bedrag dan de fiscale waarde? 

Wij gaan ervan uit dat het de bedoeling van partijen was dat de man de aandelen kreeg en de vrouw haar volledig pensioen behield. Naar onze mening heeft de vrouw dan recht op de waarde in het economische verkeer. Wij betwijfelen of in de waardering van de aandelen ook al rekening is gehouden met de waarde in het economische verkeer van de pensioenverplichting. 

Deze uitspraak laat zien dat pensioenverdeling bij scheiding en verdeling – zeker bij DGA’s – niet eenvoudig is. En dat bij verrekening van deze aanspraak met andere vermogensbestanddelen een specialist geen overbodige luxe is. 

 

Auteurs: Paul Lavrijssen (adviseur en specialist DGA–pensioen) en Vera Hek (adviseur en specialist pensioen bij scheiding) Aegon Adfis 

Bron: Gerechtshof Amsterdam, datum 21 juni 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 juli 2016