Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen AOW-uitkering vanwege “geen duurzame band van persoonlijk aard”

19 januari 2016

Het SVB kortte de AOW-uitkering van een verzekerde met 20% omdat hij 10 jaar in het buitenland zou hebben gewoond. De verzekerde was het daar niet mee eens. Wie kreeg gelijk van de Centrale Raad van Beroep? 

 

Ingezetene voor de AOW?

Het SVB kortte de AOW-uitkering van meneer X met 20% omdat hij twee jaar in Spanje en acht jaar in Canada zou hebben gewoond. Meneer X was het niet eens met deze zienswijze en procedeerde tot aan de Centrale Raad van Beroep (CRvB). 

De CRvB keek eerst naar de wetgeving over de AOW. Een ingezetene van Nederland is verzekerd voor de AOW. Een ingezetene is iemand die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Over de woonplaats sprak de Hoge Raad zich in 2011 uit: om te bepalen waar iemand woont, moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen meneer X en Nederland. De CRvB beoordeelde of deze duurzame band er voor X was in zijn Spaanse en Canadese periode.

Spanje

In de betreffende periode schreef X zich uit wegens verblijf in Spanje. Hij dreef in die tijd een restaurant in Blanes. Zijn Nederlandse woning bleef zijn eigendom. In Spanje huurde hij in de zomermaanden een kleine gemeubileerde woonruimte. X stelde dat hij alleen in de zomermaanden in Spanje verbleef. Hij werkte buiten het zomerseizoen niet in Spanje omdat er geen klandizie was voor zijn restaurant. In het najaar en de winter werkte hij in Nederland voor een bedrijf dat zonnebanken verkocht. Deze stellingen zijn bevestigd door de ter zitting gehoorde getuigen. De CRvB oordeelde dat X ingezetene van Nederland is gebleven omdat er voldoende aanknopingspunten zijn om in deze periode een duurzame band van persoonlijke aard tussen X en Nederland aan te nemen. Deze zijn:

  • X werkte alleen in de zomermaanden in Spanje; 
  • X werkte de overige maanden van het jaar voor een Nederlandse onderneming; 
  • Hij bleef eigenaar van zijn Nederlandse woning waar zijn meubels en bezittingen zich bevonden en waarnaar hij terugkeerde na de zomer; 
  • In Spanje beschikte hij niet over duurzaam over woonruimte.

Conclusie van de CRvB: de seizoenswerkzaamheden in Spanje kunnen niet afdoen aan de duurzame band met Nederland.

Canada

Voor de periode dat X in Canada woonde en werkte, oordeelde de CRvB anders. Er zijn te weinig aanknopingspunten om in deze periode van ongeveer acht jaar nog een duurzame band van persoonlijke aard tussen X en Nederland aan te nemen. X kwam alleen maar naar Nederland voor bezoek; hij werkte in Canada en verbleef daar met zijn gezin. Zijn zoon ging in Canada naar school. Het maatschappelijk leven van X en zijn gezin - werk en school – speelde zich volgens de CRvB af in Canada en niet in Nederland. Dat er bankrekeningen in Nederland zijn blijven ‘lopen’ is op zich onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Het (werk)bezoek van X in Nederland kan niet - zelfs niet bij het kunnen beschikken over een deels bewoonde woning - leiden tot ingezetenschap.

Conclusie

De Hoge Raad oordeelde in 2011 dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen beoogde aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. Waar iemand woont, wordt aan de hand van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval beoordeeld. In deze zaak sloot de CRvB zich aan bij eerdere gerechtelijke uitspraken waarin de woonplaats van het gezin en het ‘duurzaam thuis’ bepalende factoren zijn. Andere elementen die in de rechtspraak naar voren komen maar in deze zaak niet besproken zijn, zijn onder andere het land waar men verzekeringen, beleggingen en pensioen onderbrengt, waar men een dokter of tandarts bezoekt, waar men verenigingen, clubs en kerkgenootschappen bezoekt etc.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bron: Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 8 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:89

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 januari 2016