Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Geen coulance bij onevenredige revisierente  

12 juli 2019

E ontvangt € 40.829 als afkoopsom voor een lijfrente. Hij vraagt matiging van de revisierente omdat de afkoopsom maar € 829 uitkomt boven het bedrag waarbij heffing van revisie rente achterwege zou blijven. De rechtbank wijst het verzoek van E af.

Afkoop lijfrente

In 1996 sloot E een lijfrenteverzekering tegen een eenmalig koopsom. De koopsom bracht hij in mindering op zijn belastbaar inkomen. In 2015 koopt E de lijfrente af en ontvangt hiervoor € 40.829. De inspecteur heft bij de aanslag inkomstenbelasting € 8.166 (20%) revisierente.

E maakt bezwaar tegen de heffing van de revisierente omdat de heffing van € 8.166 niet in verhouding staat tot het bedrag waarmee de afkoopsom de afkoopgrens van € 40.000 te boven gaat. De inspecteur wijst het bezwaar af. E gaat vervolgens in beroep bij de rechtbank en vraagt coulance  met betrekking tot de heffing van de revisierente.

Geen revisierente bij afkoop tot € 40.000

In artikel 3.133, negende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) staat dat de afkoopsom van een lijfrente niet wordt aangemerkt als negatieve persoonlijke verplichting wanneer de belastingplichtige arbeidsongeschikt is, nog niet de AOW-leeftijd heet bereikt en de afkoopsom niet hoger is dan € 40.000 (afkoopgrens 2015). In dat geval wordt de afkoopsom belast als een reguliere uitkering van een lijfrentetermijn en is de belastingplichtige geen revisierente verschuldigd.

De rechter stelt vast dat niet in geschil is dat de inspecteur de Wet IB correct heeft toegepast. Duidelijk is ook dat  de heffing van de revisierente van € 8.166 zeer onvoordelig is voor E nu de afkoopsom maar € 829 hoger is dan in de wet genoemde afkoopgrens. Echter de rechtbank kan niet anders dan het beroep van E ongegrond verklaren. De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Omdat de inspecteur de wettelijke regels inzake de revisierente juist heeft toegepast, is het beroep van E ongegrond.

Commentaar

Revisierente kent een vast tarief van 20%. Slechts bij toepassing tegenbewijsregeling kan hiervan worden afgeweken. Belastingplichtigen kunnen de tegenbewijsregeling alleen toepassen als ten tijde van de afkoop de lijfrentepremieaftrek minder dan tien jaar geleden plaatsvond. Zie ook ons nieuwsbericht hierover. Dat is in de situatie van E niet het geval.

Om langdurig arbeidsongeschikte verzekeringnemers tegemoet te komen is het vanaf 2015 mogelijk om tot een bedrag van €40.000 (2015) een lijfrente af te kopen zonder dat daarover 20% revisierente betaald moet worden. De verzekeringnemer of, wanneer deze is overleden, de langdurig arbeidsongeschikte gerechtigde tot de lijfrenteaanspraak mag dan nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. E had zich volgens zijn zeggen niet gerealiseerd dat hij met de afkoopsom slechts € 829 boven deze grens zat. De verschuldigde revisierente is vele malen groter dan de overschrijding van dit bedrag. E vroeg daarom om coulance bij toepassing van de wet. Maar een rechter kan niet ingaan op een coulance verzoek.

Het lijkt erop dat E bij zijn besluit om gebruik te maken van de tegemoetkoming voor langdurig arbeidsongeschikte verzekeringnemers zich niet heeft laten adviseren. Een ter zake kundig adviseur had hem  dan ongetwijfeld geattendeerd op de afkoopgrens de gevolgen van het overschrijden van die grens. .

Revisierente blijft een punt van discussie voor belastingplichtigen. Wij hebben hier al diverse  nieuwsberichten over geschreven. Bijvoorbeeld het bericht van 13 februari 2018.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 19 juni 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 juli 2019