Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Geen dynamisch incorporatiebeding. Werknemers moeten dus welbewust instemmen met wijziging pensioen.

Geen dynamisch incorporatiebeding. Werknemers moeten dus welbewust instemmen met wijziging pensioen.

11 februari 2020

Werkgever wijzigt pensioenregeling door invoeren van eigen bijdrage voor werknemers. Beroep op instemming van OR gaat niet op omdat uit de arbeidsovereenkomst onvoldoende duidelijk is dat de werkgever een dynamisch incorporatiebeding wilde overeenkomen. Werknemers moeten welbewust instemmen met wijziging om deze rechtsgeldig te laten zijn.

Wijzigen arbeidsvoorwaarden premievrije deelname aan pensioen

X B.V. had in zijn Algemene Arbeidsvoorwaarden versie 2010 staan dat voor werknemers die vóór 1 januari 2009 in dienst zijn getreden, de pensioenpremie volledig voor rekening van de werkgever komt. In december 2013 sluit X met de ondernemingsraad (OR) een principeakkoord met betrekking tot het versoberen van de arbeidsvoorwaarden, waaronder het wijzigen van de premievrije deelname aan het pensioen. De Algemene Arbeidsvoorwaarden wordt op het punt van de pensioenregeling zodanig gewijzigd dat per 1 juli 2017 2/3 van de pensioenpremie voor rekening van de werkgever komt en 1/3 voor rekening van de werknemers. In de periode 2014-2017 wordt de eigen bijdrage aan de pensioenpremie geleidelijk verhoogd, te beginnen met een eigen bijdrage van 8%.
De OR hield in december 2013 een anonieme peiling om na te gaan of de werknemers van X de resultaten van de afspraken accepteren. Een overgrote meerderheid van de 1.888 werknemers stemde in met het akkoord. Maar ten minste 77 werknemers stemden niet in.

In april 2017 vragen 31 deelnemers aan X om de inhouding van de pensioenpremie op hun loon onmiddellijk te beëindigen, de reeds ingehouden premies (vanaf 2014) terug te betalen en te bevestigen dat voor hen het premievrije pensioen van toepassing blijft. X gaat hier niet op in en de deelnemers stappen naar de kantonrechter.

Dynamisch of statisch incorporatieding?

De kantonrechter verklaart voor recht dat de per 1 januari 2017 eenzijdig door X ingevoerde werknemersbijdrage voor het pensioen niet rechtsgeldig is en veroordeelt X tot het onverkort nakomen van het premievrije pensioen zoals dat gold vóór 1 januari 2017. X gaat in hoger beroep bij het hof Den Bosch.

X voert in hoger beroep aan dat de overeenstemming tussen de directie en de OR over de per 1 januari 2017 gewijzigde Algemene Arbeidsvoorwaarden een tweezijdige wijziging van de afspraak tussen X en de individuele medewerkers betreft over de invoering van een bijdrage in de pensioenpremie. Ter toelichting merkt X op dat in de arbeidsovereenkomst van haar werknemers een zogenaamd incorporatiebeding is opgenomen. Volgens X is daarbij sprake van een dynamisch incorporatiebeding. Dat zou blijken uit de passage in de arbeidsovereenkomst; “de inhoud van de Algemene Arbeidsvoorwaarden vormt een integraal onderdeel van deze arbeidsovereenkomst”. 

Het hof constateert dat in deze passage niet is opgenomen dat ook wijzigingen in de Algemene Arbeidsvoorwaarden een integraal deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Er staat volgens het hof niet, althans onvoldoende duidelijk, dat werknemers gebonden zijn aan de van tijd tot tijd bij de werkgever geldende versie van de algemene arbeidsvoorwaarden. Om die redenen is het hof van oordeel dat de tekst van deze bepalingen onvoldoende duidelijk is om daaruit af te leiden dat het een dynamisch incorporatiebeding betreft. Verder constateert het hof dat in de tekst van de arbeidsovereenkomst ook expliciet is opgenomen dat de pensioenpremie geheel voor rekening van X komt. In de arbeidsovereenkomsten is ook nog een bepaling opgenomen waarin is vermeld dat wijzigingen van de overeenkomst in overleg tussen werknemer en X schriftelijk moeten worden vastgelegd. Gelet op deze twee laatstgenoemde bepalingen acht het hof het onaannemelijk dat al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst is bedoeld dat een zo belangrijke voorwaarde als de pensioenpremie, die in de arbeidsovereenkomst zelf is opgenomen, kon worden gewijzigd door met de OR een wijziging overeen te komen van de Algemene Arbeidsvoorwaarden. 

X voerde ook nog aan dat er al eerder feitelijk wijzigingen zijn uitgevoerd door met instemming van de OR een wijziging aan te brengen in de Algemene Arbeidsvoorwaarden. Dit wil echter volgens het hof niet zeggen dat ook voor deze wijziging kon worden volstaan met instemming van de OR. Het gaat immers om een belangrijke verslechtering van een primaire arbeidsvoorwaarde, te weten een verlaging van het nettoloon. X heeft niet aangevoerd dat de eerdere wijzigingen ook betrekking hadden op verslechtering van primaire arbeidsvoorwaarden. Het hof betrekt hierbij dat X geen kleine werkgever is en dat eisers behoren tot het productiepersoneel, dat een beperkt opleidingsniveau heeft. Wanneer X een dynamisch incorporatiebeding wilde overeenkomen, dan had hij ervoor moeten zorgen dat dit duidelijk was geformuleerd in de arbeidsovereenkomst.

Welbewuste instemming?

Vervolgens beoordeelt het hof of de eisers welbewust hebben ingestemd met het voorstel van X om voortaan pensioenpremie in te houden op het loon. Anders dan eisers betogen, moet het daarbij niet gaan om ‘uitdrukkelijke’ instemming, maar om ‘welbewuste’ instemming. Het criterium waaraan het hof toetst, is dat de werkgever, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer, er slechts op mag vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden die voor hem een verslechtering daarvan inhoudt, indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd.

Tijdens zogenoemde ‘kantinesessies’ in september en november 2013 zegde X meermaals toe dat als sluitstuk van het traject, individuele gesprekken zouden plaatsvinden. Vast staat dat deze gesprekken nooit hebben plaatsgevonden. Gelet op deze uitlatingen tijdens deze kantinesessies, mocht X er volgens het hof niet vanuit gaan dat het uitblijven van een reactie van de eisers op de door hem gegeven informatie betekende dat eisers instemden met de voorgenomen wijziging. Uit het stilzitten van de eisers kon X mede vanwege de aard van de voorgestelde wijziging (een verlaging van het loon) en in aanmerking nemende de positie van de eisers, niet afleiden dat zij welbewust instemden met de door X beoogde wijziging,

Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis van de kantonrechter.

Commentaar

Centrale vraag in deze zaak was hoe het in de arbeidsvoorwaarden opgenomen incorporatiebeding moest worden gekwalificeerd. In de Algemene Arbeidsvoorwaarden stond dat zij een integraal onderdeel van de arbeidsovereenkomst vormen. De werkgever vond dat het een dynamisch beding was. Dat wil zeggen dat wijziging van de Algemene Arbeidsvoorwaarden nadat de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, doorwerken in die bestaande overeenkomst. 

Het hof vond dat onvoldoende duidelijk en ging dus uit van een statisch incorporatiebeding. 
Dat wil zeggen dat de Algemene Arbeidsvoorwaarden zoals die golden bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst, maar eventuele latere wijzigingen niet. Met dergelijke wijzigingen moet elke individuele werknemers zelf akkoord gaan. Zie voor het vereiste dat dit welbewust en niet stilzwijgend moeten gebeuren ons nieuwsbericht van 10 oktober 2019. Zie voor een zaak waarin het corporatiebeding zodanig was geformuleerd dat het wel ook toekomstige wijzigingen omvatte, ons nieuwsbericht van 15 januari 2018.

Het wijzigen van de verdeling van de pensioenpremie tussen werkgever en werknemer is regelmatig onderwerp van discussie en procedures. Met wisselende uitkomsten. Zie voor een vergelijkbare uitspraak ons nieuwsbericht van 19 januari 2018. In ons nieuwsbericht van 7 februari 2020 bespraken we echter een uitspraak waarin de kantonrechter met de werkgever van mening was dat sprake was van zwaarwegende omstandigheden die een eenzijdige wijziging rechtvaardigden. Een uitspraak die inmiddels door het hof Den Bosch in zijn, niet gepubliceerde, uitspraak van 20 februari 2018 is vernietigd. De Hoge Raad bekrachtigde het oordeel van het hof in zijn uitspraak van 29 november 2019.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Bosch, 14 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:83

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 februari 2020.