Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Geen eenzijdig wijzigingsbeding en (dus) ook geen toets aan zwaarwichtig belang

Geen eenzijdig wijzigingsbeding en (dus) ook geen toets aan zwaarwichtig belang

1 maart 2021

Werkgever voert eenzijdig eigen bijdrage in voor deelnemers in de pensioenregeling. Kantonrechter wijst dit af omdat geen sprake zou zijn van voor een eenzijdige wijziging vereist zwaarwichtig belang. Hof concludeert in hoger beroep dat überhaupt geen sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding en dus ook niet van een toets aan zwaarwichtig belang. Zelfde resultaat, maar met andere motivering.

Kantonrechter: geen zwaarwichtig belang

Werkgever X voert een eigen bijdrage in voor deelnemers aan de pensioenregeling. Ook voor de werknemers die soms al meer dan 40 jaar in dienst zijn en met wie is overeengekomen dat zijn geen premie hoeven te betalen voor deelname aan de door het ondernemingspensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling. De rechtbank Midden-Nederland concludeerde in zijn uitspraak van 10 januari 2018 dat de werkgever weliswaar de pensioenovereenkomst eenzijdig mocht wijzigen, maar alleen indien sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang dat het belang van de deelnemers om geen premie te betalen daarvoor moet wijken. Daarvan is volgens hem geen sprake, zodat eenzijdige wijziging niet mogelijk is. Wij bespraken deze uitspraak in ons nieuwsbericht van 19 januari 2018.

Hof: geen eenzijdig wijzigingsbeding

X tekende hoger beroep aan tegen de uitspraak van de kantonrechter bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof komt, langs een andere lijn van redeneren, tot dezelfde beslissing als de kantonrechter. De deelnemers zijn niet verplicht pensioenpremie te betalen.

Het hof constateert allereerst dat de clausule in de arbeidsovereenkomst; “u zult deelnemer zijn van de Stichting Pensioenfonds voor het personeel van X overeenkomstig de statuten en reglementen van deze Stichting” op zichzelf beschouwd geen eenzijdig wijzigingsbeding inhoudt op grond waarvan X de pensioenovereenkomst of onderdelen daarvan eenzijdig kan wijzigen. Ook elders in de arbeidsovereenkomsten is volgens het hof van een dergelijke bevoegdheid geen sprake. Het hof stelt dan ook vast dat de arbeidsovereenkomst zelf geen beding bevat dat aan X de bevoegdheid toekent de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen.

Vervolgens stelt het hof de vraag aan de orde of de combinatie van statuten en reglementen een dergelijke wijzigingsbevoegdheid in het leven roept. Uitgangspunt bij de beoordeling daarvan is volgens het hof dat met de deelnemers is overeengekomen dat die statuten en het reglement onderdeel zijn van de met hen afgesloten pensioenovereenkomst en dat dus in zoverre sprake is van een schriftelijk vastgelegd onderdeel (namelijk de pensioenovereenkomst) van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Omdat X dit standpunt ten grondslag legde aan zijn verweer en de deelnemers dit niet betwistten, oordeelt het hof dat dit uitganspunt mag worden gehanteerd.

Artikel 14.1b van het pensioenreglement luidt als volgt: “De deelnemers zijn een eigen bijdrage verschuldigd, met uitzondering van de deelnemers waarop het bepaalde in artikel 20, lid 2 van toepassing is. De hoogte van deze premie wordt bepaald na overleg tussen de vennootschap en de vakorganisaties”. De in artikel 20, lid 2 genoemde deelnemers zijn de deelnemers die op 31 december 2003 deelnemer waren aan de toen geldende eindloonregeling, of op 1 januari 2003 reeds in dienst waren en op 31 december 2002 jonger waren dan 25 jaar. Alle deelnemers in deze procedure behoren tot deze groep.

Artikel 19 van het pensioenreglement gaat over het wijzigen van de pensioenovereenkomst en luidt als volgt: “De vennootschap zal zijn goedkeuring aan statuten of reglementswijzingen, die beogen verandering te brengen in de omvang van de uitkering of in de bijdrage van de deelnemers niet geven, dan na overleg met de werknemersorganisaties.

Ter voorbereiding van een voorgenomen wijziging zal een werkgroep worden geformeerd met vertegenwoordigers van de vennootschap en de ondernemingsraad. (…) Het voorstel tot wijziging van de pensioenovereenkomst wordt voor een formele vaststelling voorgelegd aan de directie van de vennootschap”.

Omdat de partijen verschillen over de betekenis van artikel 19 van het pensioenreglement, moet het hof die bepaling uitleggen. Daarbij legt het aan de hand van de zogenoemde ‘cao-norm’ een objectieve uitleggingsmaatstaf aan. Dat betekent dat voor de uitleg van dit artikel de bewoordingen ervan, gelezen in het licht van de gehele tekst van het reglement, in beginsel doorslaggevend zijn. Daarnaast zijn echter volgens het hof alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van betekenis.

Het hof stelt vast dat X op grond van artikel 19 van het pensioenreglement de aldaar genoemde wijzigingen niet zal goedkeuren ‘dan na overleg met de werknemersorganisaties’. Volgens het hof wijst de tekst van deze passage op niet meer dan dat X deze procedure moet volgen voordat zij instemt met een wijziging van de pensioenovereenkomst en kan daaruit niet worden afgeleid dat de instemming van de werknemers, na goedkeuring door de werkgever, niet meer nodig is.

Verder bepaalt artikel 19 van het pensioenreglement dat het door de daartoe ingestelde werkgroep voorbereide voorstel tot wijziging van de pensioenovereenkomst ‘voor een formele vaststelling’ wordt voorgelegd aan X. Ook in deze passsage staat volgens het hof niet dat de instemming van de deelnemers niet meer nodig is. Tevens wijst de formulering dat als X akkoord is met een wijzigingsvoorstel het bestuur van het pensioenfonds ‘de overeengekomen wijziging van de pensioenovereenkomst’ zal neerleggen in het pensioenreglement niet op een eenzijdige bevoegdheid van X. Overeengekomen betekent volgens het hof dat dit tussen partijen gebeurt en niet eenzijdig door X. Het feit dat artikel 10 van het pensioenreglement bepaalt dat ter voorbereiding van een voorgenomen wijziging een werkgroep wordt geformeerd die bestaat uit evenveel werkgeversvertegenwoordigers als werknemersvertegenwoordigers vanuit de OR, onderstreept volgens het hof bovendien dat van een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid niet kan worden gesproken.

Het hof concludeert dan ook dat uit het voorgaande blijkt dat in artikel 19 van het pensioenreglement niet een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19 Pensioenwet en artikel 7:613 BW gelezen kan worden. Volgens het hof onderbouwde X zijn verweer dat een dergelijke bevoegdheid wél bestaat onvoldoende. Anders dan de kantonrechter oordeelde, kan het hof deze zaak dus niet toetsen aan het criterium van het zwaarwichtig belang.

Commentaar

Eenzijdig wijzigen van een pensioen- of arbeidsovereenkomst kan alleen als sprake is van een schriftelijke wijzigingsbeding en van een zodanig zwaarwegend belang voor de werkgever dat de belangen van de deelnemers die hierdoor worden geschaad hiervoor moeten wijken. De kantonrechter kwam tot de conclusie dat er in deze zaak geen sprake was van een dergelijk zwaarwegend belang voor de werkgever en verklaarde de eenzijdige wijziging niet rechtsgeldig.

Het hof volgt een andere redenering en concludeert dat er überhaupt geen sprake is van een schriftelijk wijzigingsbeding op grond waarvan de werkgever bij zwaarwegende omstandigheden eenzijdig de pensioenovereenkomst kan wijzigen. Aan de vraag of sprake is van degelijke omstandigheden komt het hof dus niet eens toe.

Het resultaat voor de deelnemers blijft echter hetzelfde. De wijziging in hun pensioenovereenkomst is niet rechtsgeldig omdat zij daar niet mee instemden.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 16 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1510

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 februari 2021.