Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Geen onvoorwaardelijke indexatie toezegging en geen nominale garantie

Geen onvoorwaardelijke indexatie toezegging en geen nominale garantie

1 april 2020

Directieleden hadden excedent pensioen in de vorm van bij verzekeraar ondergebrachte kapitaalverzekering met pensioenclausule. Op enig moment brengen zij de excedentregeling onder bij het OPF van de werkgever. De waarde van de C-polis wordt ingebracht ter verkrijging van aanspraken op het OPF. Daardoor is geen sprake (meer) van nominale garantie en/of onvoorwaardelijke indexatie.

Verzekerde excedentregeling ingebracht in OPF

Voor de directieleden van X BV gold in de jaren 90 van de vorige eeuw een excedentpensioenregeling, bovenop de basispensioenregeling. Deze excedentregeling werd uitgevoerd door een pensioenverzekeraar in de vorm van individuele kapitaalverzekeringen met pensioenclausule (C-polis). De basispensioenregeling werd uitgevoerd door het ondernemingspensioenfonds (OPF) van X. In de financieringsovereenkomst tussen X en het OPF uit 1993 is een bijstortverplichting van X opgenomen; “het jaarlijkse financieringsresultaat van het fonds zal door het fonds ten laste of ten gunste van een egalisatierekening worden geboekt. De onderneming dient een negatief saldo van deze egalisatierekening aan te vullen.”

Met ingang van 1 januari 1999 is ook de excedentregeling ondergebracht bij het OPF. De waarde van de C-polissen is in 2000 overgedragen aan het fonds ter verkrijging van (pre)pensioenaanspraken op grond van de excedentpensioenregeling.

In een brief van februari 1999 vraagt X de desbetreffende directieleden om in te stemmen met; “het ombouwen van de directieregeling van een beschikbaar kapitaalsysteem in een eindloonsysteem gebaseerd op een maximum pensioengevend salaris zoals dat binnen het OPF wordt gehanteerd”. In dezelfde brief geeft X aan dat: “voor het salarisdeel dat uitgaat boven het maximum pensioengevend salaris dat binnen het OPF geldt, zal opbouw plaatsvinden met indexatie gebaseerd op 70% van het feitelijke vaste jaarsalaris verminderd met het maximum pensioengevend salaris in het pensioenfonds. Het directiepensioen (van de leeftijd 60 tot 62 jaar) wordt opgebouwd in 15 jaren. Het prepensioen binnen het pensioenfonds maakt vanaf 62-jarge leeftijd hier deel van uit. Dit impliceert waarschijnlijk dat de backservice voor de periode die ligt tussen de 60- en 62-jarige leeftijd eveneens ingekocht dient te worden. De inkoop zal worden gedaan vanuit het inmiddels door u opgebouwde kapitaal in de directieregeling. Het resterende bedrag kunt u naar keuze als kapitaal laten staan, of worden gebruikt om een inkoop te doen in de geïndexeerde opbouwregeling (de zgn. directie excedentregeling)”.

De directieleden stemmen in met de wijziging en kiezen ervoor om het resterende kapitaal in te brengen in de regeling van het OPF. X bevestigt dit in een brief van augustus 1999. Daarin schrijft X: “De vorige regeling vond tot 1 januari 1999 plaats op basis van een kapitaalopbouw middels een individuele C-polis, terwijl de nieuwe regeling zoals deze per 1 januari 1999 is uitgevoerd uitgaat van een prepensioendeel gebaseerd op het maximum salaris van schaal 14 op eindloonbasis en een deel op geïndexeerde middelloonbasis”.

In 2004 sluit X met het OPF een financieringsovereenkomst waarin onder andere staat: “De werkgever is gehouden jaarlijks bij het fonds bijdragen te storten ter financiering van de aanspraken, zoals deze voortvloeien uit de pensioenreglementen en berekend naar de grondslagen zoals beschreven in de actuariële en bedrijfstechnische nota van het fonds.”

Vanaf 2008 indexeerde het OPF de pensioenuitkeringen (zowel prepensioen als pensioen) aan de voormalige directieleden niet meer. En in 2013 kortte het OPF deze uitkeringen zelfs met 2,3%.

De voormalige directieleden stellen zich op het standpunt dat X in 1999 aan hen toezegde dat hun nominale excedentpensioenen gegarandeerd waren op basis van de bijstortverplichting van X uit 1993 jegens het OPF en dat die pensioenen niet alleen in de opbouwfase maar ook na hun uitdiensttreding c.q. pensionering jaarlijks onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd. Zij stappen naar de kantonrechter.

Kantonrechter wijst vordering af, hoger beroep bij hof Den Haag

De kantonrechter oordeelt dat de brieven van februari en augustus 1999 geen onvoorwaardelijke indexeringsgarantie bevatten en dat er in deze brief niets staat over nominale garanties en wijst de vordering af.

In hoger beroep stelt het hof voorop (net zoals de kantonrechter dat overigens deed) dat zij de vraag of X in 1999 aan de (voormalige) directieleden de door hen gestelde indexatiegarantie en/of nominale garantie heeft afgegeven, moet beantwoorden aan de hand van het Haviltex-criterium. Dat betekent dat met inachtneming van alle omstandigheden van het geval de vraag moet worden beantwoord hoe de directieleden de uitlatingen van X op dit punt hebben mogen begrijpen.

Ook het hof concludeert dat de brieven uit 1999 geen steun bevatten voor de vordering van de voormalige directieleden. De bewoordingen in de brief van februari 1999 “zal een opbouw plaatsvinden met indexatie” en “de geïndexeerde opbouwregeling” wijzen volgens het hof slechts op een bij een pensioen op basis van middelloon gebruikelijke indexering tijdens de opbouwfase van pensioenaanspraken.

Datzelfde geldt voor de brief van augustus 1999, aldus het hof. De bewoordingen “op geïndexeerde middelloonbasis” houden geen toezegging in dat de pensioenen van de directieleden ook ná hun uitdiensttreding c.q. pensionering jaarlijks onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd en/of nominaal zouden zijn gegarandeerd. De directieleden hebben dit volgens het hof ook niet zo uit deze brief mogen begrijpen. Het hof concludeert verder dat de (voormalige) directieleden op basis van het pensioenreglement wisten, althans behoorden te weten, dat het basispensioen voor al het personeel (inclusief henzelf) slechts voorwaardelijk was geïndexeerd en dat er bij dit basispensioen evenmin een garantie was dat dit pensioen niet zou worden gekort, zodat het voor de hand had gelegen dat een hiervan afwijkende (onvoorwaardelijke) garantie voor het directiepensioen expliciet (mondeling dan wel schriftelijk) zou zijn medegedeeld. Deze omstandigheid brengt mee dat, nu een dergelijke expliciete toezegging naar het oordeel van het hof ontbreekt, van een gerechtvaardigd vertrouwen van de directieleden op basis van andere (bijkomende) omstandigheden niet snel sprake kan zijn.

Volgens het hof kan uit de financieringsovereenkomst 1993 redelijkerwijs niet worden afgeleid dat X zich verplichtte om ervoor zorg te dragen dat de pensioenen na uitdiensttreding c.q. pensionering van de directieleden jaarlijks zouden worden geïndexeerd. Evenmin kan uit de bijstortverplichting van X jegens het OPF worden afgeleid dat X zich jegens de directieleden verbond om de nominale excedentpensioenen van de directieleden te garanderen.

Daar komt volgens het hof nog bij dat de toenmalige directieleden van X er, gezien hun functie, van op de hoogte waren dat de financieringsovereenkomst 1993 een opzeggingsmogelijkheid bevatte en dat deze in elk geval eindigde op 31 december 1999, waarna in beginsel een nieuwe financieringsovereenkomst op mogelijk andere voorwaarden van kracht zou worden. Zij mochten er naar het oordeel van het hof daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat een eventuele bijstortverplichting ook in de toekomst onverkort zou blijven gelden. Daarbij stelt het hof vast dat, voor zover er al sprake is geweest van een bijstortverplichting van X, deze in elk geval in de financieringsovereenkomst van 2004 is komen te vervallen. Bij deze financieringsovereenkomst zijn de (voormalige) directieleden geen partij en evenmin bevat deze financieringsovereenkomst bepalingen waarvan volgens het hof moet worden aangenomen dat die rechten en/of aanspraken aan de (voormalige) directieleden beogen toe te kennen. Zij zijn naar het oordeel van het hof door het aanvaarden van hun pensioenen dan ook geen partij geworden bij de financieringsovereenkomst tussen X en het OPF.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de voormalige directieleden af.

Commentaar

Als partijen van mening verschillen over de uitleg van een overeenkomst, past de rechter het Haviltex-criterium toe. Daarbij kijkt hij niet (alleen) naar de letterlijke tekst van de overeenkomst, maar met name naar de bedoeling van partijen. Het gaat om de betekenis die de partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs over en weer aan een beding mogen toekennen. Daarbij zijn verder de maatschappelijke positie, de rechtskennis en de gewoontes van de partijen van belang.

De (maatschappelijke) positie van de eisers, allen voormalige directieleden van X, bracht in dit geval met zich dat zij geen beroep konden doen op een andere uitleg van de overeenkomst dan X toepaste. Zij waren op de hoogte, althans hadden op de hoogte kunnen zijn, van de inhoud van de pensioen- en financieringsovereenkomsten met X en het OPF. Te meer omdat een van deze directieleden indertijd directeur P&O was en hij zich bezig hield met pensioenaangelegenheden. Als sprake was geweest van “gewone” werknemers, was het oordeel van het hof wellicht anders uitgevallen.

Voor mensen met enige pensioenkennis is in zijn algemeenheid bekend dat een pensioenfonds mag afzien van indexatie en zelfs mag overgaan tot korten van de pensioenaanspraken en-rechten indien de financiële positie daartoe aanleiding geeft. In dit geval waren de voormalige directieleden ook op de hoogte van de inhoud van het pensioenreglementen en de financieringsovereenkomsten. Zij hadden dus kunnen (en wellicht wel moeten) weten dat zij een door de verzekeraar gegarandeerd pensioenkapitaal (waarvan de pensioenuitkeringen afhankelijk van de tarieven op pensioeningangsdatum en dus onzeker waren) inruilden voor nominale uitgestelde pensioenuitkeringen, die afhankelijk waren van de financiële positie van het OPF.

Ook (of juist) directeuren moete goed nagaan waar zij hun handtekening onder zetten.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Den Haag, 24 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:484

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 april 2020.