Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen partnerpensioen voor partner zonder notarieel vastgelegd samenlevingscontract

18 augustus 2017

Het Hof Amsterdam bepaalt dat een partner die niet aan de voorwaarden voldoet dat er een notarieel samenlevingscontact is, niet kan worden beschouwd als een partner in de zin van het pensioenreglement. Ook niet op basis van redelijkheid en billijkheid als er overeenstemming is over een concept akte die nog niet is gepasseerd.

De casus; wie is partner volgens het pensioenreglement?

X en zijn partner Y woonden samen en kregen een dochter. Zij kochten samen een huis en sloten een hypothecaire lening. Zij gingen naar de notaris om twee testamenten en een samenlevingscontract te laten opstellen. Op 17 december 2013 stelde de notaris de concepten op en op 21 januari 2014 zouden X en Y deze ondertekenen. Op 4 januari 2014 overlijdt Y.

Y nam deel in de pensioenregeling van haar werkgever. De pensioenregeling werd uitgevoerd door een pensioenfonds, dat de aanspraken herverzekerde bij een verzekeraar.

In het pensioenreglement staat onder meer; “het partnerpensioen gaat in op de dag waarop de (gewezen) deelnemer overlijdt en wordt vervolgens uitgekeerd tot de dag waarop de nabestaande partner overlijdt”. Om in aanmerking te komen voor het partnerpensioen moest sprake zijn van (i) een duurzame gemeenschappelijke huishouding die is vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract en (ii) van schriftelijke aanmelding door de deelnemer van zijn partner bij het fonds.

Het pensioenfonds wijst het verzoek van X tot toekenning en uitkering van een nabestaandenpensioen af omdat niet is voldaan aan de in het pensioenreglement gestelde eisen. 

Verweer van X; contractueel vervalbeding en i.s.m. redelijkheid en billijkheid

X erkent dat weliswaar in strikte zin niet wordt voldaan aan alle voorwaarden van het pensioenreglement, maar dat deze voorwaarden aangemerkt moeten worden als een zogenoemd contractueel vervalbeding. Dat betekent dat als het pensioenfonds zich hierop wil beroepen, zij gemotiveerd moet stellen en zo nodig bewijzen dat zij in haar redelijke belangen is geschaad door niet nakoming door de deelnemer van zijn verplichtingen uit hoofde van het pensioenreglement. Dat heeft het pensioenfonds volgens X niet gedaan en van een dergelijke situatie is ook geen sprake. Subsidiair voert X nog aan dat de voorwaarden van het reglement in zijn situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

De kantonrechter in eerste aanleg; pensioenfonds is niet geschaad in haar redelijke belangen

De kantonrechter wees de vordering van X in eerste instantie toe met de volgende overwegingen. “Het pensioenfonds stelde onvoldoende dat dat zij in haar redelijke belangen is geschaad doordat Y niet voldeed aan de voorwaarden van het pensioenreglement. Het enkel ontbreken van een notarieel verleden samenlevingscontract is onvoldoende om dat aan te nemen, nu er wél een notarieel concept samenlevingscontract voorlag waar volledige overeenstemming over bestond. Het enkele feit dat door het overlijden van Y niet is gekomen tot ondertekening daarvan doet daaraan niet af.  De al dan niet schriftelijke aanmelding van een partner is evenmin van belang, laat staan doorslaggevend, nu een verzekeraar van een partnerpensioen en de premiestelling, waarbij het immers gaat om een ‘onbepaald partnersysteem’ geen belang heeft bij dat vooraf wordt gemeld wie de partner is, omdat eerst bij overlijden van de deelnemer, het bestaan en de identiteit van een eventuele partner relevant wordt.”

Het Hof in hoger beroep; pensioenfonds heeft redelijk belang en handelt niet in strijd met redelijkheid en billijkheid

Het Hof vernietigt de uitspraak van de kantonrechter en wijst de vordering van X af met de volgende motivering. “Het al dan niet toekennen van een partnerpensioen heeft de nodige financiële gevolgen voor zowel het Pensioenfonds en haar aanspraak op de herverzekeraar als de (al dan niet rechthebbende) nabestaande van de deelnemer. Tegen die achtergrond moet voor het pensioenfonds boven elke twijfel verheven zijn wie in het geval van overlijden van een deelnemer als een partner in de zin van het reglement kan worden aangemerkt, zodat de in datzelfde reglement besloten liggende eis van een notarieel vastgelegd samenlevingscontract alleszins een redelijk belang van het pensioenfonds vertegenwoordigt”.

Dit zou volgens het Hof anders kunnen zijn indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn het ontbreken van een dergelijk – getekend en notarieel vastgelegd – samenlevingscontract tegen te werpen aan degene die stelt een aanspraak als partner te hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat het initiatief tot het aanmelden van het partnerschap bij het pensioenfonds ligt bij de deelnemer en niet bij degene die als partner kan worden aangemerkt. Het Hof stelt vast dat in dit geval Y bij de notaris wel enige stappen heeft gezet om te komen tot een adequate aanmelding van X als haar partner bij het pensioenfonds, maar dat daadwerkelijke verwezenlijking daarvan niet heeft plaatsgevonden door een oorzaak die, hoe treurig ook, in haar risicosfeer ligt. De door X aangevoerde feiten en omstandigheden brengen niet met zich dat het pensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar heeft gehandeld door zich jegens X te beroepen op het niet voldaan zijn van de voorwaarden voor het partnerpensioen. X is dus geen partner in de zin van het pensioenreglement, zodat het pensioenfonds uit dien hoofde ook niet is gehouden over te gaan tot een uitkering van een partnerpensioen.

Commentaar

Een zeker gezien de trieste omstandigheden voor X teleurstellende uitspraak. Maar juridisch wel logisch en duidelijk. Het pensioenreglement bevat een glasheldere definitie van het begrip partner. X voldeed daar om twee redenen niet aan. Er was geen notarieel vastgelegd samenlevingscontract en hij was niet aangemeld als partner. Het feit dat X en Y voorbereidingen troffen om een dergelijk contract aan te gaan en daar zelfs al ver in waren gevorderd, neemt niet weg dat er nog geen formele notariële akte was waarin het samenlevingsverband was vastgelegd. En dat was nu eenmaal een van de bestaansvoorwaarden voor het verkrijgen van aanspraken op een partnerpensioen.

Overigens kennen niet alle pensioenuitvoerders dezelfde voorwaarden voor het begrip partner. Er zijn ook regelingen waar een schriftelijke samenlevingsovereenkomst die niet notarieel is vastgelegd voldoende is om aanspraken op een partnerpensioen te krijgen. Of een uit de Basisregistratie Personen blijkende duur van een gezamenlijke huishouding van bijvoorbeeld twee jaar. Aanmelden van de partner is doorgaans wel een voorwaarde. Het D66 Tweede Kamerlid Van Weyenberg stelde onlangs Kamervragen over de uiteenlopende eisen aan het recht op nabestaandenpensioen. Hij verwijst daarbij naar de aanbeveling van de StAR van 22 juli 2015. De StAR geeft daarin aan dat in zijn algemeenheid geldt dat een pensioenregeling onderdeel is van het arbeidsvoorwaardenpakket en deze kan per sector of onderneming verschillen. Cao-partijen bepalen of ze ongehuwd samenwonenden in aanmerking willen laten komen voor partnerpensioen en of ze daaraan specifieke voorwaarden willen stellen. De StAR is echter van mening dat het gewenst is dat het partnerpensioen inspeelt op verschillende juridische samenlevingsvormen. Het volledig uitsluiten van samenwonenden voor partnerpensioen acht de StAR ongewenst. Aanvullend bepleit De Stichting om enige uniformiteit in het begrip samenwonende partners aan te brengen.

Van Weyenberg vroeg o.a. of de staatssecretaris van SZW het onwenselijk vindt dat het op dit moment voorkomt dat de ene partner wel recht heeft op nabestaandenpensioen van de andere partner, terwijl dat andersom door afwijkende regels niet het geval is. In haar antwoorden stelde staatssecretaris Klijnsma dat ongelijkheden in pensioenregelingen in zijn algemeenheid onvermijdelijk zijn, omdat pensioenregelingen onderdeel zijn van de arbeidsvoorwaarden en die kunnen per werkgever of per sector verschillen. Het is aan cao-partijen om te bepalen of ze ongehuwd samenwonenden in aanmerking willen laten komen voor nabestaandenpensioen en of ze daaraan specifieke voorwaarden willen stellen (bijvoorbeeld een samenlevingscontract). Zij toont echter wel begrip voor betrokkenen en hun partners waarvoor het lastig te begrijpen is dat de ene samenwonende partner wel een nabestaandenpensioen ontvangt en de anderen partner niet. Uit cijfers van DNB blijkt volgens haar dat bij verreweg de meeste pensioenfondsen (328 van de 343) de ongehuwd samenwonenden al onderdeel uitmaken van het partnerbegrip. De fondsen die ervan hebben afgezien om ongehuwd samenwonenden mee te nemen in het partnerbegrip zijn vooral fondsen met veel kleine pensioenen. Op termijn kunnen de aangekondigde maatregelen rond de waardeoverdracht kleine pensioenen voor deze fondsen mogelijk leiden tot een andere overweging met betrekking tot ongehuwd samenwonenden. De staatssecretaris geeft aan dat als op die termijn duidelijk is of het wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen effect heeft op dit punt, dan bezien kan worden of nadere maatregelen nodig zijn.

Daarbij moet de staatssecretaris echter ook in ogenschouw nemen dat de 328 fondsen die aan ongehuwd samenwonenden een aanspraak op partnerpensioen toekennen niet allemaal dezelfde definitie hanteren. Ook daar zijn er dus verschillen tussen regelingen die wel een notariële akte vragen en regelingen waarin minder strenge eisen gelden. Daarnaast zijn er nog ongeveer 45.000 pensioenregelingen die worden uitgevoerd door pensioenverzekeraars en die ook diverse partnerdefinities kennen. Het potentiële probleem is dus wellicht wat groter dan de staatssecretaris op het eerste gezicht doet voorkomen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Amsterdam 18 juli 2017. ECLI:NL:GHAMS:2017:2946

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 augustus 2017.