Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen pensioenopbouw bij doorwerken na pensionering: discriminatie?

31 maart 2016

Discrimineert een pensioenfonds naar leeftijd wanneer een werknemer doorwerkt na pensionering terwijl de pensioenopbouw stopt? Het College voor rechten van de mens oordeelde hierover. 

Doorwerken na pensioendatum

Pensioenfonds X wijzigde per 1 januari 2014 haar pensioenreglement. Zij verhoogde de pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar. Volgens het reglement gaat pensioen dat is opgebouwd tot 1 januari 2014 in als de deelnemer 65 jaar wordt. Pensioen dat daarna wordt opgebouwd gaat in op 67 jaar. Voor zover de pensioeningangsdatum 67 jaar is, kunnen deelnemers hun pensioen vervroegd laten ingaan. Deelnemers kunnen pensioen dat ingaat bij de leeftijd van 65 jaar niet uitstellen.

W (geboren in 1951) neemt deel in pensioenregeling van Pensioenfonds X. Haar AOW gaat in op 13 september 2016, wanneer zij 65 jaar en zes maanden is. W wil in dienst blijven tot het moment waarop haar AOW ingaat. Zij vraagt het pensioenfonds om de ingangsdatum van haar pensioen samen te laten vallen met haar AOW-gerechtigde leeftijd en tot die datum pensioen op te blijven bouwen. Het pensioenfonds wijst dit verzoek af. 

W vindt dat het pensioenfonds haar discrimineert op grond van haar leeftijd omdat zij niet de mogelijkheid heeft om de ingangsdatum van haar pensioen af te stemmen op haar AOW-gerechtigde leeftijd. Volgens W worden de ‘oudere’ werknemers getroffen. Zij hebben immers in overwegende mate pensioen opgebouwd met als ingangsdatum 65 jaar, waarbij geen afstemming mogelijk is met de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit terwijl een steeds groter wordende groep ‘jonge’ werknemers pensioen opbouwt met als ingangsdatum 67 jaar, waarbij dat wel kan. 

Het pensioenfonds is het hiermee niet eens. Volgens het pensioenfonds is er sprake van twee verschillende regelingen (pensioenleeftijd 65 en pensioenleeftijd 67), waardoor W zich niet kan vergelijken met een werknemer die een pensioenleeftijd heeft van 67 jaar. 

College voor rechten van de mens

Alle werknemers bevinden zich in beginsel in dezelfde situatie. Dat de pensioenregeling bepaalt dat de ingangsdatum van het pensioen verschilt naar gelang de periode dat pensioen is opgebouwd, maakt niet dat de werknemers niet vergelijkbaar zijn aldus het college. Volgens het college is er geen sprake van leeftijdsonderscheid. Geen van de deelnemers kan de ingangsdatum van het pensioen uitstellen. En voor zover de pensioenopbouw plaatsvindt na 1 januari 2014 kan dit door alle deelnemers worden vervroegd. 

Volgens het college maakt het fonds wel leeftijdsonderscheid ten aanzien van de opbouw van het pensioen. Als W 65 jaar wordt, bouwt zij geen pensioen meer op terwijl een werknemer jonger dan 65 jaar wel pensioen opbouwt. Het onderscheid is volgens het college echter niet verboden vanwege een rechtvaardiging. Als werknemers na hun 65ste pensioen zouden blijven opbouwen, betekent dit extra pensioenaanspraken. Als gevolg van de doorsneepremie financieren jongere deelnemers dit voornamelijk. Deze groep bouwt uiteindelijk ook al een minder goed pensioen op dan de oudere werknemers, waaronder W. Bovendien is de pensioenopbouw van W altijd afgestemd op een pensioenleeftijd van 65 jaar. In die zin kon zij een volledig pensioen opbouwen.

Het college oordeelt dat het fonds:

  • geen onderscheid maakte op grond van leeftijd door W’s pensioen in te laten gaan als zij de leeftijd van 65 jaar bereikt en zij dit niet kan uitstellen tot haar AOW-gerechtigde leeftijd en
  • geen verboden onderscheid maakte op grond van leeftijd doordat W geen pensioen meer opbouwt nadat zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, terwijl zij dan nog wel in dienst is.

Commentaar 

Deze uitspraak laat goed zien op welke wijze het college gelijke behandelingsvraagstukken aanpakt. Eerst wordt de vraag beantwoord of er sprake is van discriminatie. En daarna stelt zij vast of er sprake is van niet toegestane discriminatie. Onderscheid naar leeftijd is toegestaan indien het is gebaseerd op een objectieve rechtvaardigingsgrond. 

In deze uitspraak hanteerde het pensioenfonds een doorsneepremie. Bij de afweging of wordt voldaan aan het proportionaliteitsvereiste hanteert het fonds de doorsneepremie als een argument. En daarin gaat het college mee. Het is de vraag of, als er geen sprake zou zijn van doorsneepremie, de andere argumenten (1. deze oudere werknemer heeft al een beter pensioen kunnen opbouwen dan jongeren en 2. haar pensioenopbouw is altijd afgestemd geweest op pensioenleeftijd 65 en 3. ze heeft een volledig pensioen kunnen opbouwen) voldoende zijn om tot hetzelfde oordeel te komen.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: College voor rechten van de mens, 23-2-2016 

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 maart 2016