Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Geen premie, wel recht

Geen premie, wel recht

4 mei 2021

Werknemer werkt voor BV die onder verplichtstelling valt. Hij wordt arbeidsongeschikt en werkgever stopt premiebetaling aan pensioenfonds. Na gedeeltelijk herstel hervat werknemer zijn werkzaamheden, maar nu voor de houdstermaatschappij. Werknemer bleef onder werkingssfeer pensioenfonds vallen en heeft dus recht op pensioen, ook al betaalde werkgever daarvoor geen premie. Fonds heeft geen premievordering op werknemer.

Is werkgeverschap overgegaan van BV naar houdstermaatschappij?

X trad op 1 mei 1991 in dienst bij Y BV. Op zijn arbeidsovereenkomst was de cao Houthandel van toepassing en hij nam deel in de verplicht gestelde pensioenregeling van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Houthandel. Na de liquidatie droeg dit pensioenfonds zijn gehele vermogen over aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Meubelindustrie.

In maart 1994 kreeg X een motorongeluk waardoor hij voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt werd verklaard. In maart 1996 ging X weer aan het werk in een nieuwe functie. Zijn arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 65% tot 80%. X ontving vanaf 1 september 1996 zijn salarisstroken van Y Holding BV. Y BV meldde X per 31 december 1994 uit dienst bij het BPF en droeg vanaf 1 januari 1995 geen pensioenpremie meer af voor X.

In september 2015 sloot X een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met Y Holding BV voor de functie van administratief medewerker. In januari 2016 deed hij dat opnieuw voor de periode tot en met 31 december 2016. Deze arbeidsovereenkomst eindigde met wederzijds goedvinden op 1 november 2016. In 2017 koopt het BPF Houthandel het over de jaren 1991 tot en met 1994 opgebouwde pensioen van X af door een bedrag in eens uit te keren.

X vordert bij de kantonrechter een verklaring voor recht dat hij jegens het BPF Meubelindustrie aanspraak kan maken op de opbouw van pensioenaanspraken volgens het pensioenreglement van het pensioenfonds over de periode van 1 januari 1995 tot 1 september 2015. Het pensioenfonds bestrijdt dit omdat Y BV X afmeldde en daarna sprake zou zijn van een dienstverband met Y Holding BV, die niet onder de verplichtstelling valt. Mocht de kantonrechter de vordering van X toewijzen, dan vordert het pensioenfonds betaling door X van de premie (zowel werkgevers- als werknemersdeel).
De kantonrechter wijst de vordering van X toe en die van het pensioenfonds af. Het pensioenfonds tekent hoger beroep aan bij het Gerechtshof Amsterdam.

Hof: geen premie, wel recht

De centrale vraag in het hoger beroep is volgens het hof of X op enig moment in 1996 uit dienst is getreden van Y BV en in dienst van Y Holding BV.

Het hof concludeert dat niet in geschil is tussen partijen dat X aanvankelijk in 1991 de arbeidsovereenkomst met Y BV aanging. Tevens is niet in geschil dat deze arbeidsovereenkomst – al dan niet stilzwijgend – is voortgezet tot in elk geval 1 januari 1995. Tot die datum droeg Y BV immers pensioenpremie af voor X.

De arbeidsovereenkomst is volgens het hof niet opgezegd, hetgeen op basis van het destijds geldende recht wel noodzakelijk was om hem te beëindigen. Ook stelt het hof vast dat gesteld noch gebleken is dat de arbeidsovereenkomst op andere wijze is beëindigd. X is indertijd noch door Y BV, noch door Y Holding BV, noch door het Bpf op de hoogte gebracht dat er in verband met wijziging van werkgeverschap niet langer pensioenpremie werd afgedragen ten behoeve van hem. Aan X kan dan ook volgens het hof niet worden toegerekend dat hij door Y BV bij het pensioenfonds is afgemeld.

Het verweer van het Bpf dat X vanaf 1 januari 1995 geen arbeidsovereenkomst had met een werkgever die onder de werkingssfeer valt van de door het Bpf Meubelindustrie uitgevoerde pensioenregeling faalt dan ook volgens het hof. Het hof bevestigt de uitspraak van de kantonrechter dat het Bpf X niet rechtstreeks kan aanspreken voor afdracht van de premie. Daarvoor is, zoals de kantonrechter overwoog en het hof beaamt, geen grondslag aanwezig. De verplichting tot afdracht van de premie rust uitsluitend op de werkgever.

Commentaar

Bij pensioenfondsen geldt het principe ‘geen premie, wel recht’. Hoewel het niet met zo veel woorden in de Pensioenwet (en diens voorganger de Pensioen- en spaarfondsenwet) staat, blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Pensioenwet dat de wetgever wel degelijk beoogde om dit adagium van toepassing te laten zijn voor pensioenfondsen (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 413, nr. 3, p. 62 en 63 en Kamerstukken I 2006-2007, 30 413, nr. C, p. 15.). Slechts in evidente gevallen van boze opzet bij werkgever en werknemer, of in geval sprake is van een vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw waarbij de werknemer de premie niet betaalt, kan sprake zijn van geen premie, geen recht (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 413, nr. 3, p. 63). In andere situaties geldt; geen premie, wel recht.
Bij rechtstreeks verzekerde regelingen ligt dit anders. Ten tijde van de PSW was de verzekeraar niet aansprakelijk als de werkgever hem niet de financiële middelen alsmede de inlichtingen verschafte die hij nodig had om zijn verplichtingen na te kunnen komen (artikel 4, lid 2 Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW). Onder de PW ligt dat iets genuanceerder. Een verzekeraar mag, wanneer premieachterstand dat noodzakelijk maakt, de opbouw van de aanspraken beëindigen, mits hij zich aantoonbaar heeft ingespannen om de achterstallige premies te innen en hij de deelnemers daarover vooraf schriftelijk informeert (artikel 29 PW). X was echter deelnemer bij een pensioenfonds en had een arbeidsovereenkomst met een werkgever die onder de werkingssfeer van de verplichtstelling viel. Uit dien hoofde had hij dus aanspraken bij het fonds, ook al betaalde zijn werkgever daar niet voor. Geen premie, wel recht. De vordering van het fonds om de premie alsnog bij X te incasseren, wekt enige verbazing. Artikel 24 PW is glashelder: “de werkgever voldoet aan de pensioenuitvoerder verschuldigde premie, tenzij sprake is van voldoening door de gewezen werknemer in geval van een vrijwillige voortzetting als bedoeld in artikel 54”.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1006

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 mei 2021.