Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Geen recht op onvoorwaardelijke indexatie van aanspraken die zijn achtergebleven bij vorige pensioenverzekeraar

16 februari 2018

Een werkgever wijzigt de collectieve pensioenregeling en verandert van pensioenverzekeraar. De werknemer die zijn opgebouwde pensioenaanspraken achterlaat bij de oude pensioenverzekeraar heeft geen recht op onvoorwaardelijke indexatie van zijn premievrije aanspraken.

Recht op onvoorwaardelijke indexatie? Feiten.

Werknemer X was van 1976 tot 2016 in dienst bij (een of meer rechtsvoorgangers van) werkgever Halliburton. Van 1 februari 1977 tot 1 januari 2007 nam X deel aan de collectieve pensioenregeling van Halliburton. Sinds 1 januari 1974 was Zwitserleven de pensioenuitvoerder van deze op salaris-diensttijd gebaseerde regeling. Met ingang van 1 januari 1994 wijzigde Haliburton deze regeling. Met ingang van 1 januari 2007 wijzigde Halliburton de regeling opnieuw en veranderde daarbij van pensioenverzekeraar. Vanaf die datum is sprake van een beschikbare premieregeling en is Fortis ASR de pensioenverzekeraar. Haliburton biedt de deelnemers die pensioenaanspraken bij Zwitserleven opbouwden de keuze om deze geheel of gedeeltelijk bij Zwitserleven achter te laten, of ze geheel of gedeeltelijk af te kopen en de afkoopsom te benutten voor de aankoop van een pensioenkapitaal bij Fortis ASR. X kiest er voor om voor zijn tot 1 januari 1994 opgebouwde rechten bij Zwitserleven te laten blijven. Hij stelt dat hij op grond van de hem gedane pensioentoezegging onvoorwaardelijk recht heeft op indexatie in die zin dat de premievrije aanspraken bij Zwitserleven jaarlijks aangepast worden aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De kantonrechter in Haarlem geeft hem in eerste instantie gelijk. Het gerechtshof Amsterdam vernietigt deze uitspraak en wijst de vorderingen van X af. Daarbij speelt de wijze waarop X is geïnformeerd en wanneer en hoe hij hierop heeft gereageerd volgens het gerechtshof een belangrijke rol .

Communicatie over de wijzigingen

Gedurende periode waarin X deelnemer was aan de pensioenregeling is op diverse momenten sprake van wijzigingen en communicatie hierover met de deelnemers.

Wijziging per 1 januari 1994
Halliburton informeerde haar werknemers over de wijziging van 1 januari 1994 onder andere door middel van een brief van 9 juni 194. Deze brief heeft ook X ontvangen. In de brief staat dat sprake is van een verlaging van de pensioengrondslag door een verhoging van de franchise. Verder staat er in: “Zoals in de in inleiding al aangegeven worden in onze huidige pensioenregeling pensioenrechten alleen aangepast aan de salarisontwikkeling. Na dienstverlating of pensionering vindt geen aanpassing meer plaats. In de nieuwe regeling gaat dat wel gebeuren. De rechten van dienstverlaters en de ingegane rechten worden jaarlijks aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De financiering hiervan vindt plaats uit de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert”. Onder het kopje ‘samenvatting’ zegt de brief nog: “De wijziging onder a (verhoging franchise) is de enige verslechtering, in die zin dat de rechten lager worden. Dit wordt evenwel gecompenseerd door de invoering van de indexatie”. 

Wijziging per 1 januari 2007
In de informatie die Halliburton zijn werknemers verstrekt over de wijziging per 1 januari 2007 worden de gevolgen van het achterlaten van vóór 1 januari 2007 opgebouwde pensioenrechten bij Zwitserleven vergeleken met die van het afkopen daarvan en het aankopen van een kapitaal bij Fortis ASR. Hierbij is onder andere aandacht besteed aan de hoogte van de toekomstige pensioenuitkeringen bij de keuze voor achterlaten van de opgebouwde pensioenrechten bij Zwitserleven. Dit kwam ook aan de orde tijdens een voorlichtingsbijeenkomst waar X aanwezig was en in een drietal andere brieven. Ook deze brieven heeft X ontvangen.

In de voorlichtingsbijeenkomst op 6 oktober 2002 toonde Halliburton een sheet waaruit blijkt dat de bij Zwitserleven opgebouwde aanspraken een gegarandeerd pensioen opleveren; “opgebouwd pensioen blijft gelijk bedrag en wijzigt niet”.

In een brief van 27 november 2006 schrijft Halliburton dat in het geval van keuze voor niet-afkopen  van de opgebouwde pensioenaanspraken: “Het bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen dat op de pensioenopgave van 2006 staat vermeld, zal in ieder geval niet lager worden. Dit bedrag wordt niet aangepast aan de inflatie waardoor de koopkracht hiervan lager wordt”. In brieven van 27 december 2006 en 23 april 2007 deelde Halliburton in aanvulling hierop mede dat de bij Zwitserleven achtergelaten pensioenaanspraken zouden worden ondergebracht in een bepaalde pool en dat binnen deze pool gemaakte winst, afhankelijk hiervan en tot op zekere hoogte zou worden gebruikt om die aanspraken te verhogen of te indexeren. In de brief van 27 december 2006 staat hierover: “Dit is een voorwaardelijk recht: als er winst wordt gerealiseerd in deze pool dan wordt die winst teruggegeven aan alle deelnemers. De deelnemers zien dit terug in de vorm van een verhoging van hun aanspraken. Er is geen garantie dat er winst zal zijn maar als er winst is dan komt dit terug aan de deelnemers Of er winst is hangt af van de beleggingsresultaten van Zwitserleven”. In de brief van 23 april 2007 tenslotte staat: “Bij Zwitserleven heb je elk jaar opnieuw de kans op een verhoging. Bij Fortis ASR is deze er niet”. Vanwege de kans op een mogelijke verhoging wanneer de aanspraken achter wanneer de aanspraken achterblijven bij Zwitserleven benadrukt deze brief dat alle betrokken werknemers hun keuze ter zake van de door hen vóór 1 januari 2007 pensioenaanspraken opnieuw kenbaar moesten maken.

Standpunt X; onvoorwaardelijke indexatie

X stelt dat hij op grond van de aan hem gedane pensioentoezegging onvoorwaardelijk recht heeft op indexatie van zijn tot 1 januari 2007 opgebouwde, bij Zwitserleven achtergebleven, pensioenaanspraken in die zin dat deze aanspraken jaarlijks dienen te worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. Hij wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de brief van 9 juni 1994. Daaruit blijkt volgens hem dat bij de wijziging van de collectieve pensioenregeling van Halliburton in 1994 een zodanige onvoorwaardelijke indexatie is toegezegd.

Oordeel Hof: geen onvoorwaardelijke indexatie vanaf 1 januari 2007

Het gerechtshof Amsterdam concludeert dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke indexatie. Volgens het Hof had X uit de informatie die Halliburton verstrekte bij de ingrijpende wijziging van de collectieve pensioenregeling per 1 januari 2007 redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de hem geboden keuzemogelijkheid om de vóór 1 januari 2007 opgebouwde pensioenaanspraken achter te laten bij Zwitserleven tevens inhield dat die aanspraken níet onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd in die zin dat zij (steeds) periodiek zouden worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. In het bijzonder de brieven van 27 december 2006 en 23 april 2007 van Halliburton vermelden volgens het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig dat bij een keuze voor achterlaten van opgebouwde pensioenaanspraken bij Zwitserleven uitsluitend een voorwaardelijke, winstafhankelijke, mogelijkheid van een toekomstige verhoging van de opgebouwde pensioenaanspraken bestond.

Na de ontvangst van de brief van 23 april 2007 heeft X welbewust, terugkomend van een eerdere, andersluidende keuze, ervoor gekozen zijn vóór 1 januari 2007 opgebouwde aanspraken geheel bij Zwitserleven achter te laten en heeft hij deze keuze door middel van een daarvoor bestemd formulier, zonder voorbehoud, aan Halliburton meegedeeld. Daarmee heeft X naar het oordeel van het Hof aanvaard dat – ongeacht het gestelde in de brief van 9 juni 1994 – hem ten aanzien van die achtergelaten aanspraken geen onvoorwaardelijk recht op indexatie toekwam, maar alleen een voorwaardelijk recht, zoals in de hiervoor genoemde brieven omschreven. Partijen zijn dit volgens het Hof dus overeengekomen en hieruit volgt dat X geen onvoorwaardelijk recht heeft op indexatie.

Geen affinancieringsplicht voor periode tot 1 januari 2007 door te laat te reageren. Verzaking klachtplicht

Ondanks deze conclusie dat X geen recht heeft op onvoorwaardelijke indexatie, gaat het Hof ook nog in op het tijdstip waarop X zijn grieven kenbaar maakte. Dit is van belang om te bepalen of Halliburton de indexatie over de periode tot de wijziging van 1 januari 2007 moet financieren. Op grond van artikel 6:89 BW “kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd

Het Hof constateert dat uit de informatie rond de wijziging van de pensioenregeling en verandering van pensioenverzekeraar per 1 januari 2007 onomstotelijk blijkt dat Halliburton bij deze wijziging niet voornemens was het door X gestelde onvoorwaardelijke recht op indexatie gestand te doen. OP het tijdstip dat Halliburton deze informatie verstrekte was het dus duidelijk voor X, althans had het hem volgens het Hof redelijkerwijs duidelijk moeten zijn, dat Halliburton in d nakoming van dat recht tekortschoot of, in ieder geval, daarin bij de wijziging van haar collectieve pensioenregeling zou tekortschieten. X was daarom op grond van het bepaald in artikel 6:89 BW verplicht ter zake van dat tekortschieten bij Halliburton te protesteren binnen bekwame tijd na de bedoelde mededelingen, waarvan de laatste is gedaan op 23 april 2007.

X deed voor het eerst op 13 augustus 2013 tegenover Halliburton een beroep gedaan op de niet-nakoming van de volgens hem aan hem gedane pensioentoezegging. X heeft daarom nagelaten binnen bekwame tijd nadat hij met het gestelde tekortschieten van Halliburton bekend was geworden, althans redelijkerwijs bekend had moeten zijn ter zake bij haar te protesteren.  Dit brengt volgens het Hof mee dat de vorderingen van X om Halliburton te veroordelen tot betaling aan Zwitserleven van de voor de gestelde onvoorwaardelijke indexatie benodigde bedragen niet toewijsbaar zijn omdat X – in strijd met zijn verplichting uit artikel 6:89 BW – te lang ermee heeft gewacht op het gestelde tekortschieten van Halliburton een beroep te doen.

Conclusie

Deze uitspraak geeft twee belangrijke dingen aan. Allereerst is het voor een werkgever heel belangrijk om goed en duidelijk te communiceren over (de gevolgen van) een wijziging van de pensioenregeling. Daarnaast is het voor een werknemer van belang om tijdig te protesteren als hij vindt dat een werkgever de pensioenovereenkomst niet (volledig) nakomt. X ving bot op twee punten. De informatie die de werkgever verstrekte was zodanig dat X akkoord ging met de wijziging toen hij het keuzeformulier zonder voorbehoud invulde en aan de werkgever stuurde. Dat betekende in ieder geval dat er voor de toekomst geen sprake was van een onvoorwaardelijke indexatie. De vordering om de onvoorwaardelijke indexatie over het verleden af te financieren ketste af op het tijdstip waarop hij deze instelde. Ruim zes jaar nadat hij wist, of had behoren te weten, dat de vermeende onvoorwaardelijke indexatie niet zou worden nagekomen. Daarmee liet X zijn beurt voorbij gaan en kreeg hij ook op dit punt geen gelijk.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2017 (gepubliceerd 13 februari 2018).

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 februari 2018.