Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Geen recht op premievrije voortzetting pensioen

29 mei 2019

Een werknemer met een tijdelijk dienstverband heeft geen recht op premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden in het pensioenreglement.

Ziek worden tijdens tijdelijk dienstverband

X treedt op 1 juli 1992 in dienst bij K als magazijnmedewerker. De arbeidsovereenkomst is voor de duur van één jaar. Op grond van dit dienstverband is X aangemeld en deelnemer geworden bij het Pensioenfonds voor de Houtwaren en – Borstelindustrie (hierna: Pensioenfonds).

In het toepasselijke pensioenreglement van het Pensioenfonds staat:

Artikel 1

(…) arbeidsongeschikt: arbeidsongeschikt in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. (…)

Artikel 2

(…)

Het deelnemerschap eindigt:

(…)

  1. door het verlies van de hoedanigheid van werknemer of (…) tenzij de deelneming wordt voortgezet (…) dan wel wordt voortgezet in geval van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 12 van dit reglement.

(…)

Artikel 12

Bijdragevrije deelneming in verband met arbeidsongeschiktheid

1.a. Voor een deelnemer, die arbeidsongeschikt is bij het bereiken van de maximum-uitkeringstermijn, wordt vanaf het einde van die termijn vrijstelling van de voor hem verschuldigde bijdrage verleend op basis van onderstaande tabel.

(…)”

Op 21 december 1992 krijgt X van K een brief waarin K meedeelt dat het dienstverband met X na het aflopen van het eenjarig contract per 1 juli 1993 beëindigd zal zijn.

Op 4 december 1992 is X arbeidsongeschikt geworden. Van de bedrijfsvereniging krijgt X te horen dat de periode waarover hij maximaal ziekengeld ontvangt eindigt op 4 december 1993. Daarna zal zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaan. De arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt X tot zijn pensioendatum, 16 maart 2014.

Volgens X komt hem premievrije voortzetting toe van zijn pensioenopbouw van 4 december 1993 tot 1 januari 2014. Daarin verschilt hij van mening met het Pensioenfonds.

Recht op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid?

X en het Pensioenfonds verschillen van mening over de vraag of X recht heeft op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid in de situatie waarin de arbeidsovereenkomst van X is geëindigd tijdens zijn ziekteperiode, maar vóór ingang van de WAO-uitkering. X en het Pensioenfonds zijn het erover eens dat voor het beantwoorden van die vraag het pensioenreglement het uitgangspunt is. Zij verschillen echter van mening over de uitleg van de artikelen 2 en 12 van dat reglement.

Volgens het Pensioenfonds volgt uit deze bepalingen dat X geen recht heeft op premievrijstelling, omdat hij geen deelnemer meer was op het moment waarop de maximum uitkeringstermijn was verstreken en hij dus niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 12. Volgens X zijn de bepalingen onduidelijk en brengt uitleg daarvan mee dat voor premievrijstelling voldoende is dat hij deelnemer was op het moment dat hij arbeidsongeschikt was in de zin van het pensioenreglement.

Aangezien het hier gaat om een reglement van een verplicht gesteld pensioenfonds, waarop de individuele werknemers bij de totstandkoming niet zijn betrokken, geldt volgens het gerechtshof dat de uitleg van de bepalingen van het pensioenreglement moet plaatsvinden aan de hand van de zogeheten cao-norm. Volgens de rechter komt het daarbij aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het pensioenreglement en kan ook acht worden geslagen op formuleringen die elders in het reglement zijn gebruikt. De rechter verwijst daarbij onder meer naar een uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002. Met inachtneming van dit beoordelingskader volgt volgens de rechter dat X niet in aanmerking komt voor premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid. Volgens het reglement komt de deelnemer die arbeidsongeschikt is bij het bereiken van de maximum-uitkeringstermijn in aanmerking voor premievrijstelling (artikel 12, lid 2 van het reglement). Die maximum-uitkeringstermijn wordt gedefinieerd in artikel 1 en is volgens de Ziektewet (zoals die toen gold) één jaar. Aangezien de dienstbetrekking van X op 1 juli 1993 eindigde en de maximum-uitkeringstermijn op 4 december 1993, bestond de dienstbetrekking niet meer toen de maximum-uitkeringstermijn was bereikt. En heeft X daarom geen recht op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid.

Commentaar

X en het Pensioenfonds waren het met de rechter eens, dat voor de vraag of X recht had op premievrijstelling gedurende ruim 19 jaar, gekeken moest worden naar het reglement. Dat reglement was voor X (en kennelijk ook voor de kantonrechter) niet helder met betrekking tot de vraag welk moment bepalend is voor het recht op premievrijstelling. Daarvoor moesten diverse artikelen in het reglement te samen gelezen en uitgelegd worden.

Vreemd dat X, ondanks dat de uitleg van het reglement niet klip en klaar was, veroordeeld wordt tot de procedure kosten. Zeker nadat hij eerst door de rechtbank in het gelijk werd gesteld en het pensioenfonds in hoger beroep ging. Die kosten zijn voor X ruim € 2.200. In andere situaties, waarin de zaak eigenlijk heel duidelijk is en er dus onnodig beslag wordt gelegd op de rechterlijke macht, komen eisers die in het ongelijk worden gesteld er vaak makkelijker mee weg.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 mei 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 april 2019