Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Geen uitvoeringsovereenkomst geen pensioen

13 augustus 2019

Een werknemer tekent een afstandsverklaring voor zijn pensioen. Maar hij vraagt later aan de pensioenverzekeraar toch pensioen omdat hij meent dat volgens DNB pensioenuitvoerders niet onder hun pensioenverplichting uit kunnen. De rechter denkt hier heel anders over.

Pensioenvordering

De heer E is vanaf 1 februari 2006 werkzaam bij PD BV in de functie van statutair directeur. PD BV heeft een collectieve pensioenregeling die is verzekerd bij Zwitser Leven (ZL). In de arbeidsovereenkomst van E met PD BV is een afstandsverklaring opgenomen die door E en zijn echtgenote is ondertekend. Op 31 augustus 2008 wordt de dienstbetrekking van E met PD BV verbroken.

In 2017 eist E van ZL uitkering van een ouderdomspensioen met terugwerkende kracht tot 13 mei 2011 (65-ste verjaardag van E). Hij wijst daarbij op de opvatting van DNB in het kader van artikel 5 Pensioenwet. Volgens DNB is het pensioenuitvoerders niet toegestaan hun aansprakelijkheid uit te sluiten ingeval van onvoldoende informatieverschaffing door de werkgever. ZL stelt dat E geen recht heeft op een pensioen omdat er geen uitvoeringsovereenkomst voor dit pensioen tot stand is gekomen.

Geen pensioenovereenkomst geen uitvoeringsovereenkomst

Volgens de rechter verschillen E en ZL van mening over de vraag of ZL verplicht is om aan E pensioen uit te keren en aan zijn echtgenote aanspraak op nabestaandepensioen toe te kennen.

Omdat er geen sprake is van verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds of een overheidsbetrekking is het volgens de rechter, aan werkgever PB BV en E om al dan niet een pensioenovereenkomst te sluiten. Wanneer er een pensioenovereenkomst is gesloten moet de werkgever deze volgens de Pensioenwet (PW) onderbrengen bij een pensioenuitvoerder door een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten met de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder stelt vervolgens een pensioenreglement vast in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement.

De rechter stelt vast dat er voor het pensioen van E geen uitvoeringsovereenkomst tussen PD BV en ZL tot stand is gekomen. Het ontbreken van een uitvoeringsovereenkomst betekent dat voor ZL geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een pensioenreglement en het uitkeren van pensioen aan E en toekenning van aanspraak op nabestaandenpensioen aan zijn echtgenote.

In tegenstelling tot wat E aanvoert, is de rechter van mening dat artikel 5 PW en de opvatting van DNB hierover niet betekent dat er sprake is van een pensioenverplichting voor ZL. De stelling van E dat PD BV hem ten onrechte niet heeft aangemeld bij ZL leidt volgens de rechter niet tot een ander oordeel.

Als E vindt dat PD BV de verplichting tot een uitvoeringsovereenkomst te sluiten niet is nagekomen zal hij PD BV hierop moeten aanspreken en niet ZL. Gelet hierop kan, volgens de rechter, de vraag of de afstandsverklaring in de arbeidsovereenkomst (nog) geldig is in onderhavige procedure onbesproken blijven.

Commentaar

Eind 2011 verklaarde DNB dat pensioenuitvoerders op grond van artikel 5 PW hun aansprakelijkheid niet mogen uit sluiten ingeval van onvoldoende informatieverschaffing door werkgevers. Indien een werkgever een werknemer niet aanmeldt, kan de werknemer toch bij een pensioenuitvoerder een beroep doen op zijn pensioenrechten en -aanspraken, alsof hij wel - en geheel juist - was aangemeld. Als de werkgever niet voldoet aan zijn informatieplicht heeft een pensioenuitvoerder ook niet de mogelijkheid om het contract op te zeggen of de uitkering te verminderen.

Door deze interpretatie zag E kennelijk een mogelijkheid om onder zijn eerder overeengekomen afstandsverklaring uit te komen. Maar de rechter oordeelde in dit geval anders. Volgens de rechter was er helemaal geen pensioenovereenkomst tussen E en PD BV tot stand gekomen. Daardoor is er - voor E althans – geen uitvoeringovereenkomst met ZL gesloten en wordt ZL ook niet geraakt door het bewuste artikel 5 PW. Artikel 5 PW komt pas in beeld indien een werknemer die voldoet aan de definitie van deelnemer in het pensioenreglement/de pensioenovereenkomst desondanks door zijn werkgever niet is aangemeld bij de pensioenuitvoerder. Dat was hier niet het geval, omdat door de afstandsverklaring er nu juist géén pensioenovereenkomst tot stand kwam. Voor de praktijk is deze beslissing van belang. Want als E in het gelijk was gesteld zou elke werknemer zonder bezwaar onder zijn afstandsverklaring uit kunnen komen.

Deze uitspraak bewijst echter wel weer dat het In zijn algemeenheid van groot belang is zorgvuldig te handelen wanneer een werknemer niet in de pensioenregeling opgenomen wil worden. De werkgever moet hem goed informeren over de gevolgen zodat hij er zich van bewust is wat hij doet. De “afstandsverklaring” moet zodanig zijn geformuleerd dat daarover naderhand geen discussie kan ontstaan. En ook de partner moet zich ervan bewust zijn dat er ook geen recht op partnerpensioen is na diens onverhoopte overlijden als de werknemer niet deelneemt in de pensioenregeling. Daarom – en om selectie te voorkomen – zijn de meeste pensioenuitvoerders zeer terughoudend in het accepteren van afstandsverklaringen. Op grond van de uitvoeringsovereenkomst verplicht de pensioenuitvoerder de werkgever om alle werknemers aan te melden als deelnemer in de pensioenregelingen. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld gemoedsbezwaren, is de pensioenuitvoerder doorgaans bereid hier van af te wijken.

Zie ook ons nieuwsbericht van 16 augustus 2018.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 3 juli 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 augustus 2019.