Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Geen vergoeding bij einde arbeidsovereenkomst van rechtswege o.g.v. cao. Geen verboden leeftijdsonderscheid.

27 augustus 2018

Einde van arbeidsovereenkomst van rechtswege o.g.v. cao op AOW-leeftijd, maar vóór pensioenleeftijd leidt niet tot leeftijdsdiscriminatie. Geen reden voor het toekennen van transitievergoeding, billijke vergoeding of smartengeld. 

Einde van rechtswege o.g.v. cao

X is geboren in 1952 en werkt sinds 1 maart 1975 bij werkgever Y. Op zijn arbeidsovereenkomst is een cao van toepassing. Deze cao bepaalt; “de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat voorafgaande opzegging is vereist in geval van bereiken van de door de door de werknemer gekozen ingangsdatum van het ouderdomspensioen, doch uiterlijk op de dag dat de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt”. X bereikt op 5 juni 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar. Y liet hem in maart 2018 schriftelijk weten dat zijn dienstverband conform de cao op 4 juni 2018 eindigt. X is het daar niet mee eens en wil bij Y in dienst blijven tot de pensioenleeftijd van 67 jaar. Y wil X geen nieuwe arbeidsovereenkomst aanbieden.
X eist daarop bij de kantonrechter een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een smartengeldvergoeding. Y maakt volgens hem verboden leeftijdsonderscheid door hem aansluitend aan het einde van de arbeidsovereenkomst vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. 

Geen verboden leeftijdsonderscheid

Volgens X is sprake van verboden leeftijdsonderscheid omdat Y met drie andere collega’s na het einde van de arbeidsovereenkomst op de AOW-datum wél een nieuwe arbeidsovereenkomst afsloot en met hem niet. Volgens hem zei Y dat de reden hiervoor was dat verjonging van het team wenselijk was. Y betwist dit en stelt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wenselijk was in het kader van de gewenste doorstroming van haar personeel.
Volgens de kantonrechter kan in het midden blijven of de reden verjonging of doorstroming van het personeel was. Hij verwijst naar een uitspraak uit 2007 waarin het Hof van Justitie EG oordeelde dat doorstroming een passend en noodzakelijk middel is om de werkloosheid te bestrijden en dus niet in strijd is met het discriminatieverbod op grond van leeftijd. Naar het oordeel van de kantonrechter valt het begrip verjonging geheel of grotendeels samen met doorstroming. Het verschil in beide begrippen is volgens hem in ieder geval niet zo groot dat bij doorstroming géén en verjonging wél sprake is van verboden leeftijdsonderscheid. Daar komt bij dat Y in de afgelopen jaren slechts in drie van de twaalf gevallen een nieuwe arbeidsovereenkomst afsloot. Voor alle gevallen waren er specifieke redenen om dit te doen.

Geen transitievergoeding

Artikel 7:673 van het BW bepaalt dat de transitievergoeding niet is verschuldigd indien het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst geschiedt in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De Hoge Raad oordeelde in een uitspraak uit 2018 dat de bepaling uit het BW niet strijdig is met de Europese Richtlijn 2007/78/EG die een algemeen kader geeft voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. De Hoge Raad vond dat deze uitsluiting een legitiem doel dient en een passend en noodzakelijk middel is voor de verwezenlijking van dat doel. De uitsluiting van het recht op een transitievergoeding in deze gevallen voorkomt namelijk dat personen die in de regel niet langer zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien, toch recht hebben op een transactievergoeding. X heeft naast zijn AOW recht op een pensioen uit hoofde van de pensioenregeling van Y ter grootte van bijna € 43.000 per jaar. Het argument van X dat hij ook na zijn 66e jaar voor zijn inkomen nog aangewezen is op arbeid, gaat dus volgens de kantonrechter niet op.

Geen billijke vergoeding

X vroeg daarnaast een ‘billijke’ vergoeding omdat Y de arbeidsovereenkomst opzegde in strijd met het discriminatieverbod en/of het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Y.
Volgens de kantonrechter mag Y als uitgangspunt nemen dat de arbeidsovereenkomst met X eindigt op zijn AOW-leeftijd. Niet is gebleken dat X met betrekking tot eventueel doorwerken anders wordt behandeld dan zijn collega’s in vergelijkbare omstandigheden. Op Y rust daarom volgens de kantonrechter slechts een zeer beperkte verplichting om de weigering om te voldoen aan het verzoek van X om hem een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden te onderbouwen. Aan Y komt bij het vervullen van vacatures een grote beleidsvrijheid toe. De kantonrechter merkt daarbij op dat X niet op een concrete vacature heeft gesolliciteerd. Naar zijn oordeel heeft Y voldoende onderbouwd waarom X geen nieuwe arbeidsovereenkomst is aangeboden. Er is volgens hem in ieder geval niet voldaan aan het vereiste van ernstige verwijtbaarheid. 

Geen smartengeld

Volgens X is sprake van aantasting van zijn persoon omdat Y zich schuldig maakt aan leeftijdsdiscriminatie dan wel omdat Y ongemotiveerd onderscheid maakt tussen hem en de collega’s die wel mogen blijven, terwijl er een kennelijke noodzaak bestaat voor uitbreiding van het team. Daarom eist hij, mede op grond van schending van het goed werkgeverschap, een fors bedrag aan smartengeld.
De kantonrechter is hier snel mee klaar. Uit hetgeen hij overwoog met betrekking tot de billijke vergoeding, volgt dat ook het smartengeld niet toewijsbaar is.

De kantonrechter wijst alle verzoeken dan ook af.

Commentaar

X trok alles uit de kast. Transitievergoeding, billijke vergoeding en smartengeld. Het heeft er alle schijn van dat X zich hierbij meer heeft laten leiden door emotionele gevoelens dan door juridisch relevante feiten. X gaf in de procedure aan dat bij hem het gevoel overheerst dat hij als oud vuil aan de kant wordt gezet. In de afgelopen 43 jaar heeft Y volgens zijn zeggen geen aanmerkingen gehad op zijn functioneren. Hij heeft enkel goede beoordelingen gehad en veel opbrengsten binnengehaald.

Zoals de kantonrechter terecht concludeert gaan deze argumenten in een juridische procedure niet op. Het is volgens de kantonrechter te betreuren dat na zo’n lang dienstverband de laatste periode daarop zo’n negatieve impact op X had.
Maar hij baseert zich op de feiten en de juridische uitgangspunten en komt in een hecht doortimmerd betoog tot de conclusie dat die geen aanleiding geven om de teleurstellingen die X ongetwijfeld onderging te honoreren door welke vergoeding dan ook toe te kennen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 13 augustus 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 27 augustus 2018