Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen verzekeringsplicht DGA

22 maart 2016

Zijn bestuurders van een BV verzekerd voor de werknemersverzekeringen wanneer zij door middel van hun persoonlijke holdings aandelen in die BV hebben? Het Gerechtshof Amsterdam besliste dat dit niet het geval is in de voorgelegde kwestie. 

Kwestie

A en B zijn bestuurder van X BV. Vanaf de oprichting bezit ieder 50% van de aandelen in X BV. In 2007 brengen A en B hun aandelen in X BV in hun persoonlijke holdings, respectievelijk Holding A BV en Holding B BV. A en B bezitten ieder alle aandelen in hun persoonlijke holding BV. A en B zijn in loondienst bij hun persoonlijke holding BV. De Holding BV ’s hebben een management overeenkomst gesloten met X BV met als doel dat A en B de directie voeren over X BV.

In 2008 verkopen de holdings A BV en B BV ieder 10% van de aandelen X BV aan H BV. H , een werknemer (en geen bestuurder) van X BV is eigenaar van alle aandelen in H BV.

De inspecteur legt aan X BV naheffingsaanslagen op voor de premies werknemersverzekeringen over de periode vanaf 2007. Hij stelt dat A en B materieel een  arbeidsovereenkomst met X BV hebben en dat zij op grond van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Stcrt. 1997, 248) (hierna: Regeling) niet kwalificeren als directeur grootaandeelhouder (DGA) van X BV. De zeggenschap van de DGA ’s is namelijk verminderd van 50% ieder naar 40% ieder.
X BV verweert zich tegen het standpunt van de inspecteur door te stellen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen A en B met X BV.

Gerechtshof Amsterdam

Het Gerechtshof onderzoekt eerst of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen X BV en A en B. Daarna gaat het Hof in op de toepassing van de Regeling. A en B hebben civielrechtelijk een arbeidsovereenkomst met hun respectievelijke persoonlijke holdings. 

De inspecteur stelt dat de fiscale werkelijkheid een andere is dan de civielrechtelijke. Hij stelt dat er niet alleen een civielrechtelijke dienstbetrekking tussen A en B en hun Houdstervennootschappen is tot stand gekomen, maar dat er ook een (fiscaalrechtelijke) dienstbetrekking tussen A en B en BV X heeft bestaan. Het Hof vraagt zich af of dit laatste kan. Voor een antwoord op deze vraag citeert het Hof het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999 (nr. 33830, ECLI:NL:HR:1999:AA3862:

"-3.4. […]Voor een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, met als consequentie daarvan andere fiscale gevolgen dan de contracterende partijen op grond van de gekozen civielrechtelijke vorm verwachtten, en daardoor veelal een hogere of lagere belastingheffing, kan plaats zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet. Voor een zodanige kwalificatie is niet noodzakelijk dat de betrokken belastingplichtige partij is geweest bij of anderszins heeft deelgenomen aan alle handelingen die tot dat resultaat hebben geleid." 

Volgens het Hof kon de inspecteur niet aantonen dat de aan de holdingstructuur verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet. Ook uit de feiten kan het Hof niet afleiden dat aan de onderhavige holdingstructuur niet aanvaardbare fiscale gevolgen verbonden zijn geweest. Het hof concludeert dat A en B geen arbeidsovereenkomst hebben met X BV. Op grond hiervan zijn ze geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd en kan de naheffingsaanslag aan X BV niet in stand blijven. 

Voor de volledigheid gaat het Hof ook nog in op de toepassing van de Regeling. Als tussen A en B en X BV wel een arbeidsovereenkomst bestond, zijn zij premieplichtig voor de werknemersverzekeringen tenzij zij kunnen worden aangemerkt als DGA. In artikel 2 van de Regeling staat:

1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in [de werknemersartikelen] wordt verstaan:
c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen.

Het Hof legt deze bepaling grammaticaal uit. Dat houdt in dat alleen het aandelenbezit van de bestuurders in ogenschouw hoeft te worden genomen. En niet zoals de inspecteur in navolging van de Centrale Raad van Beroep stelt: het aandelen bezit van alle aandeelhouders. A en B zijn de enige bestuurders van X BV. Zij houden ieder middellijk 40% van de aandelen in X BV. Op basis van deze uitleg was het Hof tot dezelfde conclusie gekomen: A en B zijn geen werknemer voor de werknemersverzekeringen. En BV X hoeft geen premies af te dragen. 

Commentaar 

In de praktijk komt het vaak voor dat de belastingdienst bij holdingstructuren een fictieve dienstbetrekking van de bestuurders met de Werk BV aanneemt. Volgens deze uitspraak van het Hof kan dat niet in alle gevallen zondermeer worden aangenomen. Het Hof stelt, dat de belastingdienst hiervoor moet aantonen dat de aan de holdingstructuur verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet.

De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 1997 is met ingang van 1 januari 2016 herzien. In de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 is de nevengeschiktheid (de bepaling uit artikel 2) anders geformuleerd, namelijk:  

“Onder een DGA wordt verstaan bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.”

Waarschijnlijk zou het oordeel van het Hof over toepassing van de Regeling op basis van de tekst 2016 anders luiden. Immers bij de nieuwe formulering moeten de bestuurders alle aandelen bezitten. Volgens het Hof is dat in de oude tekst niet nodig.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, datum 1 maart 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 maart 2016