Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen verzekeringsplicht DGA (2)

13 juni 2016

Volgens het Gerechtshof Amsterdam zijn bestuurders van een BV niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen wanneer zij door middel van hun persoonlijke holdings aandelen in die BV hebben, zie ons bericht van 22 maart 2016. De staatssecretaris trekt zijn cassatieberoep tegen deze uitspraak in.

De kwestie

A en B zijn bestuurder en ieder 50% aandeelhouder van X BV. In 2007 brengen A en B hun aandelen in X BV in hun persoonlijke holdings in. A en B bezitten ieder alle aandelen in hun persoonlijke holding BV. A en B zijn in loondienst bij hun persoonlijke holding BV. De Holding BV ’s hebben een managementovereenkomst gesloten met X BV met als doel dat A en B de directie voeren over X BV.

 

In 2008 verkopen de holdings ieder 10% van de aandelen X BV aan H BV. H , een werknemer (en geen bestuurder) van X BV is eigenaar van alle aandelen in H BV.

De inspecteur legt aan X BV naheffingsaanslagen op voor de premies werknemersverzekeringen over de periode vanaf 2007. Hij stelt dat A en B materieel een arbeidsovereenkomst met X BV hebben en dat zij op grond van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Stcrt. 1997, 248) (hierna: Regeling) niet kwalificeren als directeur grootaandeelhouder (DGA) van X BV. De zeggenschap van de DGA ’s is namelijk verminderd van 50% ieder naar 40% ieder.

X BV verweert zich tegen het standpunt van de inspecteur door te stellen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen A en B met X BV.

Gerechtshof Amsterdam.

Het Hof concludeert dat A en B geen arbeidsovereenkomst hebben met X BV. En dat zij op grond daarvan niet premieplichtig zijn voor de werknemersverzekeringen. De naheffingsaanslag aan X BV kan volgens het Hof daarom niet in stand blijven.

In haar uitspraak ging het Hof ook nog in op de toepassing van de Regeling. Als tussen A en B en X BV wel een arbeidsovereenkomst bestond, zou BV X wel premieplichtig zijn voor de werknemersverzekeringen, tenzij zij kunnen worden aangemerkt als DGA.

In artikel 2 van de Regeling staat:

1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in [de werknemersartikelen] wordt verstaan:

c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen;

Het Hof legt deze bepaling grammaticaal uit. Dat houdt in, dat alleen het aandelenbezit van de bestuurders in ogenschouw hoeft te worden genomen. En niet zoals de inspecteur in navolging van de Centrale Raad van Beroep stelt: het aandelenbezit van alle aandeelhouders. A en B zijn de enige bestuurders van X BV. Zij houden ieder middellijk 40% van de aandelen in X BV. A en B zijn dus geen werknemer voor de werknemersverzekeringen.

Staatssecretaris

De staatssecretaris besluit het door hem ingestelde (pro forma) cassatieberoep in te trekken. Volgens de staatssecretaris is het oordeel van het Hof zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat hij twijfelt of hij aan kan tonen dat tussen X BV en A en B een dienstbetrekking bestond.

De staatsecretaris meldt nog wel dat hij het niet eens met de uitleg van het Hof van de Regeling 1997. Volgens de staatssecretaris mag de regeling niet grammaticaal worden uitgelegd. Als A en B wel in dienstbetrekking stonden tot X BV, zou volgens de Regeling moeten worden geconcludeerd dat A en B wel premieplichtig zijn. Dee staatssecretaris is van mening dat vaste jurisprudentie ziet op de verdeling van het aandelenbezit onder de aandeelhouders en niet de verdeling van het aandelenbezit onder de bestuurders.

Commentaar

De staatssecretaris is het niet eens met de uitleg van Hof van de Regeling 1997 . Niet het aandelenbezit van de bestuurders is volgens hem relevant maar het aandelenbezit van alle aandeelhouders. Deze onduidelijkheid is opgelost in de nieuwe Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016. De nieuwe Regeling maakt een einde aan de mogelijkheid om dit verschillend uit te leggen. In deze Regeling staat:

“Onder een DGA wordt verstaan bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.”

Volgens deze formulering heeft de staatssecretaris zonder meer gelijk. De staatssecretaris gaat desondanks toch niet in cassatie omdat hij twijfelt of hij aan kan tonen dat bij de holdingstructuur er een dienstbetrekking bestaat tussen de bestuurders en de Werk BV. Zo’n structuur komt in de praktijk veelvuldig voor. Wellicht loont het de moeite om bezwaar te maken als de belastingdienst wel een fictieve dienstbetrekking aanneemt tussen de bestuurders en de werk BV, terwijl ze juridisch in dienst zijn van de holding BV.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Fisca Net

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 juni 2016