Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen vrijstelling BTW voor pensioenfonds

13 december 2016

De Hoge Raad oordeelde dat de btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer niet van toepassing is op de activiteiten van vermogensbeheer voor het bedrijfstakpensioenfonds (BPF) voor personeel in de sector zorg en welzijn. Het BPF kwalificeert volgens de Hoge Raad niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Is een pensioenfonds gelijk aan een beleggingsinstelling?

Het Europese Hof van Justitie bepaalde in het arrest ATP PensionService dat bepaalde diensten van een pensioenbeheerder aan een pensioenfonds met een DC-regeling vrijgesteld zijn btw. Dan moet er wel sprake zijn van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. De vraag of een pensioenfonds kan worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds was in Nederland geruime tijd onderwerp van discussie. Aanvankelijk huldigde de Belastingdienst het standpunt dat pensioenfondsen niet als gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden beschouwd. Door het arrest ATP was dit standpunt niet langer zonder meer houdbaar. Sindsdien legt de staatssecretaris de btw-vrijstelling zo uit dat het beheer van collectieve middelloon- en eindloonregelingen (defined benefit (db)-regelingen) niet onder de vrijstelling valt en het beheer van beschikbare premieregelingen (defined contribution (dc)-regelingen) wel. Een dc-regeling voldoet aan de voorwaarden die het Hof van Justitie stelt aan een gemeenschappelijk beleggingsfonds. De btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer is dus van toepassing op de activiteiten van vermogensbeheer voor een pensioenfonds dat een DC-regeling uitvoert. 

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet algemeen pensioenfonds is verscheidene malen ter discussie gesteld of Nederland op de juiste wijze uitvoering geeft aan de richtlijnbepaling. Met name of het gemaakte onderscheid tussen db- en dc-regelingen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Europese Hof. Zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 24 december 2015. In een procedure deed de Hoge Raad onlangs uitspraak. 

Hoge Raad: een pensioenfonds is niet gelijk aan een beleggingsinstelling

Hof Den Haag oordeelde eerder dat de btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer niet van toepassing is op de activiteiten van vermogensbeheer voor het BPF. In aanloop naar het arrest van Hoge Raad concludeerde de Advocaat-generaal dat de btw-vrijstelling wel van toepassing is. In veel gevallen neemt de Hoge Raad het advies van de Advocaat-generaal over. Maar niet in deze situatie.

In haar overweging bekijkt de Hoge Raad eerst wanneer er volgens het Europese Hof sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Volgens het Europese Hof is er sprake van een gemeenschappelijk beleggingsfonds als het beleggingsrendement van deelnemers in zo’n fonds afhankelijk is van de resultaten van het fonds. De deelnemers zijn winstgerechtigd of dragen het risico dat verbonden is aan het beheer van het fonds. Volgens het Europese Hof kunnen ook pensioenfondsen als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. Daarvoor geldt dat de deelnemers het fonds financieren, het fonds het spaargeld belegt volgens het beginsel van risicospreiding, en dat de deelnemers van het fonds het beleggingsrisico dragen.

De Hoge Raad gaat alleen in op de vraag of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. De Hoge Raad vindt dat het risico dat de deelnemers dragen bij de beleggingen van het pensioenfonds en de doorwerking daarvan in de hoogte van hun pensioenuitkeringen, niet gelijk zijn te stellen met het risico dat deelnemers van een beleggingsfonds dragen. Niet de resultaten van de beleggingen maar het aantal dienstjaren bij de werkgevers en het bedrag van het gemiddeld verdiende loon bepalen de hoogte van de pensioenuitkeringen. Eventuele reserveringen ten gevolge van meevallende beleggingsresultaten komen (uiteindelijk) ten goede aan de – collectiviteit van de – deelnemers. Maar ook in dat geval worden de pensioenuitkeringen berekend aan de hand van het aantal dienstjaren en het gemiddeld verdiende loon van de individuele werknemers en niet naar de vermeerdering van het vermogen van het pensioenfonds. Het risico op non-indexatie en korting op pensioenaanspraken is naar het oordeel van de Hoge Raad van een andere orde dan het risico dat deelnemers van een beleggingsinstelling op hun ingelegde gelden dragen.

De Hoge Raad meent dat een pensioenfonds daarom niet gelijk te stellen is aan een gemeenschappelijke beleggingsinstelling. Het laat het oordeel van het gerechtshof dat het beheer van het vermogen van het pensioenfonds niet is vrijgesteld van omzetbelasting, dan ook in stand. 

Commentaar

In ons commentaar op het arrest het Europese Hof van Justitie over ATP PensionService (zie nieuwsbericht van 24 maart 2014) schreven wij al dat een pensioenfonds dat DB-regelingen uitvoert naar onze mening geen beroep zou kunnen doen op dit arrest. De toezegging aan de deelnemer is een pensioenuitkering; de deelnemer loopt geen beleggingsrisico. Een pensioenfonds kan indexatie schrappen of afstempelen wanneer er sprake is van een dekkingstekort. Dit dekkingstekort wordt niet alleen veroorzaakt door tegenvallende beleggingen. De rentestand en de ontwikkeling van het langlevenrisico spelen ook een belangrijke rol. Afstempelen mag overigens alleen als alle andere middelen niet meer mogelijk zijn. Tegenvallende beleggingsresultaten komen dus niet per definitie en één op één voor rekening en risico van de deelnemer, zoals dat bij dc wel het geval is.

Daar komt bij dat in een andere zaak (Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd (C-424/11), 7 maart 2013) het Hof oordeelde dat een pensioenfonds die een db-regeling uitvoert niet kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Wij nemen aan dat de minister van Financiën het arrest met instemming begroet. Een ander resultaat zou grote gevolgen kunnen hebben voor de schatkist. Het arrest zal op termijn waarschijnlijk wel gevolgen kunnen hebben voor de belastinginkomsten van de overheid. Het aandeel van DC-regelingen stijgt fors. Dat is bijvoorbeeld goed te zien aan de opkomst van PPI’s. Beheersdiensten van PPI’s - inclusief de bijkomende diensten voor zover zij ondergeschikt zijn aan de beheersdiensten - zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

Voor de concurrentiepositie van Nederland in de markt van grensoverschrijdende pensioenuitvoering is deze uitspraak minder gunstig. Het Belgische OFP is vrijgesteld van omzetbelasting voor zover het gaat om het beheer van het OFP.

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis. 

Bron: Arrest Hoge Raad, 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2786.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 december 2016