Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Globale cijfers voldoen niet aan de bewijslast

8 januari 2016

Het Hof Amsterdam oordeelde in 2006 dat een korting grootleeftijdsverschil gerechtvaardigd was. De Hoge Raad vernietigt dit arrest. Hierna leest u waarom.

 

Korting grootleeftijdsverschil 

X werkte bij ING en nam deel aan het ING Pensioenfonds (hierna: het Pensioenfonds). Hij bouwde een ouderdoms- en nabestaandenpensioen op. Ter begrenzing van de solidariteit tussen de deelnemers van het Pensioenfonds geldt voor partners die meer dan tien jaren jonger zijn dan de deelnemer een kortingsregeling. 

In 2000 overlijdt X. Zijn 23 jaar jongere partner Y ontvangt sinds maart 2000 een nabestaandenpensioen met toepassing van de kortingsregeling. Y maakte bij het Pensioenfonds bezwaar tegen de toepassing van de korting. De kortingsregeling veroorzaakt volgens haar indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen. Dit is verboden volgens de Wet Gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. 

Het Pensioenfonds wijst het bezwaar van Y af. En ook de kantonrechter en later (op 31 augustus 2006) het Gerechtshof Amsterdam. In het belang van de wet gaat de Procureur Generaal (PG) in beroep bij de Hoge Raad. 

Middel moet passend en noodzakelijk zijn

Van indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen is sprake als personen van een bepaald geslacht bijzonder getroffen worden in vergelijking met personen van het andere geslacht, door een bepaling, maatstaf of handelwijze. Indirect onderscheid is volgens de WGB niet verboden als dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel. En dat de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Onder “noodzakelijk” is te verstaan dat die middelen voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof spitste haar beoordeling van het geschil toe op de vraag of de kortingsregeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens de Hoge Raad terecht. Maar volgens de Hoge Raad heeft het hof bij haar oordeel niet alle relevante omstandigheden betrokken. En had het hof verzuimd het Pensioenfonds te vragen om aan te tonen dat het middel (de korting) passend en noodzakelijk is. 

Het hof vond dat de burgerlijke rechter terughoudend moet zijn met een oordeel over de grenzen die het reglement aan de solidariteit stelt omdat het pensioenreglement het resultaat is van arbeidsvoorwaardenoverleg tussen cao-partijen. Volgens de Hoge Raad miskende het hof daarmee dat de rechter een zelfstandig oordeel moet vormen over de vraag of de kortingsregeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. En dat hij in dat oordeel alle relevante omstandigheden van het geval moet betrekken. 

Gelet op het fundamentele belang van een gelijke behandeling naar geslacht wordt de rechter bij die beoordeling niet beperkt door onderhandelingsvrijheid van de cao-partijen, aldus de Hoge Raad.

Pensioenfonds moet objectieve rechtvaardigingsgrond bewijzen

Verder is de Hoge Raad van mening dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of de kosten van afschaffing van de leeftijdskorting in het niet vallen bij de totale omvang van het fonds, zoals Y stelde. De Hoge Raad: “Het hof had van het Pensioenfonds moeten verlangen dat het aan de hand van door hem in het geding te brengen cijfers aantoonde dat het gemaakte onderscheid voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. Volgens de Hoge Raad volgt uit de WGB dat het Pensioenfonds moet bewijzen dat voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.

Het Pensioenfonds had aangevoerd dat afschaffing van de kortingsregeling voor hem zou leiden tot een eenmalige kostenverhoging van circa tien miljoen euro en verder tot een jaarlijkse kostenverhoging van één miljoen euro. Met dergelijke globale en niet onderbouwde cijfers voldoet het Pensioenfonds niet aan de op hem rustende bewijslast, aldus de Hoge Raad. Daarbij komt nog dat die cijfers niet zijn gerelateerd aan de totale omvang van het fonds en dat evenmin een berekening is overgelegd van de mate waarin de pensioenpremie van de deelnemers zou stijgen door afschaffing van de kortingsregeling.

Commentaar

In 2015 oordeelden respectievelijk de rechtbank Midden Nederland en het hof Den Haag over korting groot leeftijdsverschil. En nu ook de Hoge Raad. De zaken waarin de rechtbank en het hof oordeelden betrof een (in 2007 afgeschafte) pensioenregeling bij het Pensioenfonds voor huisartsen. Wij schreven daarover in ons nieuwsbericht van 30 juli 2015. In beide casussen onderbouwde het pensioenfonds met feiten en (actuariële) berekeningen dat het middel voor het bereiken van het doel (korting groot leeftijdsverschil ter bescherming van de solidariteit) passend en noodzakelijk is. In de casus waarin de Hoge Raad oordeelde verzuimden de rechtbank en het hof het fonds te vragen om aan te tonen dat er sprake was van een objectieve rechtvaardiging. De Hoge Raad is hier heel duidelijk in: met globale en niet onderbouwde cijfers voldoet het Pensioenfonds niet aan de op hem rustende bewijslast. Hiermee is dus niet gezegd dat een korting groot leeftijdsverschil nooit is toegestaan. Maar ook niet dat het zonder meer wél is toegestaan. Of en in hoeverre het is toegestaan, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval.

Als gevolg van discriminatiewetging gaan overigens steeds meer uitvoerders ertoe over de korting grootleeftijdsverschil uit hun regeling te halen. Hierdoor zal het aantal procedures vanzelf afnemen. 

In deze zaak ging de PG in het belang van de wet in beroep bij de Hoge Raad. Anders dan wanneer één van de partijen in beroep zou zijn gegaan, heeft de beslissing van de Hoge Raad nu geen gevolgen voor de het Pensioenfonds of Y. Y houdt haar gecorrigeerde (lagere) nabestaandenuitkering.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 18 december 2015

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 januari 2016