Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Handleiding RVU

7 januari 2019

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018 publiceerde de Belastingdienst (CAP) een handleiding voor de interpretatie van het begrip RVU. De objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling bepalen of er sprake is van een RVU.

RVU

In het nieuwsbericht van 29 juni 2018 gingen wij in op het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018. Naar aanleiding van dit arrest schreef het CAP een handleiding. Voor dit arrest en de Handleiding is de definitie van een regeling voor vervroegde uitkering (RVU) van belang:

De Wet op de loonbelasting definieert de RVU als  een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkeringen van de Algemene Ouderdomswet, dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling (artikel 32ba, zesde lid Wet op de loonbelasting 1964). Een pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet of een regeling als bedoeld in hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 is geen RVU.

Objectieve voorwaarden en kenmerken

Voor het vaststellen of er sprake is van een RVU kijkt de Belastingdienst naar de objectieve voorwaarden van de vertrekregeling. Wanneer er volgens de objectieve voorwaarden er sprake is van een RVU kan gekeken worden naar de objectieve kenmerken van de regeling. Mogelijk dat die kenmerken ertoe leiden dat er toch geen sprake is van een RVU. Wel of geen RVU scheelt de werkgever 52% eindheffing.

Objectieve voorwaarden

Hierbij gaat het om de voorwaarden voor deelname aan de regeling. De Belastingdienst toetst of de vertrekregeling ten doel heeft oudere werknemers vervroegd te laten stoppen met werken door middel van een overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkeringen, dan wel te voorzien in een aanvulling op pensioenuitkeringen.

De Belastingdienst beoordeelt daarvoor of het ontslag al dan niet leeftijdgerelateerd is. Daarbij zijn de beweegreden van de werkgever en de intenties en keuzes van de werknemer niet van belang.

Als het doel van de vertrekregeling niet gericht is op het overbruggen van inkomen of aanvullen van pensioen, zal in veel gevallen geen sprake zijn van een RVU. Bij ontslag wegens disfunctioneren, onenigheid over het te voeren beleid of onverenigbaarheid van karakters zal in veel gevallen geen sprake zijn van een RVU. De werkgever moet dit dan wel kunnen aantonen. Als bijvoorbeeld een werkgever een aantal werknemers van of boven een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 58, 60 of 62 jaar) wegens één van de hiervoor genoemde omstandigheden ontslaat, zal de Belastingdienst de wettelijke ontslaggrond wel nader onderzoeken. Als blijkt dat het ontslag toch leeftijdgerelateerd is, wordt nader onderzocht of de beëindigingsvergoeding voor de individuele werknemer ook feitelijk leidt tot een overbrugging, dan wel een aanvulling. Dit kan met behulp van de zogenaamde 70%-toets.

Veel collectieve vertrekregelingen zijn ingegeven door een reorganisatie van de werkgever De vertrekregeling kwalificeert niet als RVU wanneer  op voorhand duidelijk is dat de reorganisatie niet ten doel heeft tot de uitstroom van oudere werknemers met het oog op vervroegd uittreden Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de reorganisatie plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria zoals het lifo-systeem of het afspiegelingsbeginsel. In geval dergelijke objectieve, niet-leeftijdgerelateerde criteria zijn gebruikt, is de hoogte van de compensatie niet meer relevant; ook niet als die compensatie de werknemer in staat stelt te overbruggen naar pensioen- of AOW-leeftijd. Een nadere toetsing aan de objectieve kenmerken van de regeling is dan niet meer nodig. 

Een (deel van een) vertrekregeling in het kader van een reorganisatie kan wel als RVU kwalificeren wanneer deze regeling of het gedeelte van de regeling uitsluitend openstaat voor werknemers vanaf een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 58, 60 of 62 jaar) en waarbij hun leeftijd het doorslaggevende criterium is om voor deze regeling in aanmerking te komen.

Objectieve kenmerken/ 70%-toets

Als op basis van de objectieve voorwaarden blijkt dat een vertrekregeling kan kwalificeren als een RVU kan per werknemer getoetst worden of deze regeling voor hem leidt tot een overbrugging of aanvulling van de periode op de pensioenuitkeringen. Hiervoor hanteert de Belastingdienst de 70%-toets.

Volgens deze toets is een vertrekregeling geen RVU, wanneer met de ontslagvergoeding een fictieve periodieke uitkering wordt berekend die niet hoger is dan 70% van het (laatstgenoten) reguliere jaarloon. De periode vangt aan op het moment van feitelijk uitdiensttreden en eindigt op de dag voordat de (ex-) werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voorafgaand aan de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee).

Bij het bepalen van de 70%-grens moet ook rekening worden gehouden metoverige uitkeringen uit dezelfde vroegere dienstbetrekking (WW,ZW, WAO, VUT, prepensioen, vervroegd ouderdomspensioen, levensloop e.d.). Deze uitkeringen moeten daarom voor de toetsing worden ingebouwd.

Het gaat bij de 70%-toets altijd om een fictieve berekening. Indien deze berekening leidt tot de conclusie dat er geen RVU aanwezig is, kunnen de eventuele werkelijke looptijd en de werkelijke hoogte van de termijnen van de vertrekregeling dus afwijken zonder dat de regeling daardoor een RVU wordt. Datzelfde geldt voor de feitelijke pensioeningangsdatum. Als de werknemer op een later moment besluit om het pensioen vervroegd in te laten gaan, dan hoeft er geen nieuwe toets plaats te vinden.

Als de ontslagvergoeding later plaatsvindt dan 24 maanden voor de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee) zal de Belastingdienst in beginsel het standpunt innemen dat er sprake is van een RVU.

Commentaar

Door het vervallen van de stamrechtvrijstelling in 2014 is de verkrijging van een ontslagvergoeding voor werknemers fiscaal minder aantrekkelijk. Hierdoor is uitstel van belastingheffing niet meer mogelijk. Voor werkgevers is het wel van groot belang dat de vertrekregeling niet kwalificeert als een RVU. Immers daarmee voorkomen ze dat over de ontslagvergoeding 52% eindheffing wordt geheven. Deze eindheffing kunnen werkgevers niet verhalen op de werknemers.

Vertrekregelingen zijn voor oudere werknemers meestal aantrekkelijker dan voor jongere werknemers. Vaak biedt de vertrekregeling oudere werknemers een hogere ontslagvergoeding en hoeven zij maar een kortere periode te overbruggen. Maar volgens de Hoge Raad zijn de beweegredenen van een werknemer om gebruik te maken van vertrekregeling niet relevant bij de beoordeling of sprake is van een RVU. Deze beweegredenen behoren volgens de Hoge Raad namelijk niet tot de objectieve voorwaarden en kenmerken van de (vrijwillige) vertrekregeling.

Er is geen sprake van een RVU als de vertrekregeling , inclusief de vrijwilligersregeling of de plaatsmakersregeling, niet leeftijd is gerelateerd. Dat houdt in dat deze regeling openstaat voor alle werknemers. Op basis van deze criteria zullen veel collectieve vertrekregelingen niet of nauwelijks als RVU aangemerkt worden. Gezien het belang verdient het toch aanbeveling om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid om de vertrekregeling vooraf door de Belastingdienst te laten toetsen op het al dan niet aanwezig zijn van een RVU.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur  Aegon Adfis

Bron: Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding”

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 januari 2019.