Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Handreiking RVU geactualiseerd

Handreiking RVU geactualiseerd

15 februari 2021

Vanaf 1 januari 2021 geldt een tijdelijke drempelvrijstelling voor Regelingen voor vervroegde uittreding. De Belastingdienst actualiseerde de handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding”.

Handreiking RVU

De tijdelijke drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU’s) geldt sinds 1 januari 2021. Over betalingen in het kader van een RVU die onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven is tijdelijk geen RVU-heffing verschuldigd. In de Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding” voegt de Belastingdienst onderdeel 5 toe. Dat onderdeel ziet op de invoering van de tijdelijke drempelvrijstelling RVU-heffing voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 en beschrijft de voorwaarden voor de RVU-vrijstelling.

Wat was dat ook alweer: RVU ?

Sinds 2006 richt het kabinetsbeleid op de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen. Dat gebeurt onder meer door de pseudo-eindheffing van artikel 32ba Wet LB. Deze wordt opgelegd ingeval (delen van) regelingen kwalificeren als een RVU, een “Regeling voor vervroegde uittreding”.

De pseudo-eindheffing van artikel 32ba Wet LB komt pas in beeld als de vertrekregeling op basis van de objectieve kenmerken en voorwaarden ten doel heeft te voorzien in een overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkeringen of in een aanvulling op pensioenuitkeringen. Van een aanvulling op pensioenuitkeringen kan sprake zijn als het pensioen in verband met het beëindigen van de dienstbetrekking wordt vervroegd en de vertrekregeling het herrekende pensioeninkomen aanvult.

Of een vertrekregeling kwalificeert als een RVU wordt getoetst. Een RVU-toets vindt allereerst plaats op de objectieve voorwaarden van de regeling: welke werknemers mogen deelnemen en aan welke criteria moeten deze werknemers voldoen? Als het nodig is, kan vervolgens nog worden gekeken naar de objectieve kenmerken van de regeling: is de beëindigingsvergoeding van een dusdanige omvang dat de werknemer feitelijk in staat wordt gesteld om te overbruggen naar de AOW-leeftijd of de eerdere pensioenleeftijd, dan wel dient de beëindigingsvergoeding ter aanvulling op de pensioenuitkeringen van de werknemer?

In onderdeel 4.2 van de Handreiking is de RVU toets nader uitgewerkt.

Voorwaarden tijdelijke RVU-vrijstelling

Als onderdeel van het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel dat het kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties sloten op 5 juni 2019 is voor de RVU tijdelijk een drempelvrijstelling ingevoerd. Voor zover de betalingen in het kader van de RVU onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven, is geen RVU-heffing verschuldigd. De drempelvrijstelling is in 2021 maximaal € 1.847 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd.

Onderdeel 5 van de handreiking geeft de volgende voorwaarden voor de RVU-drempelvrijstelling:

  • De RVU uitkering vindt plaats in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025;
  • Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028 geldt een uitloopperiode. Gedurende deze periode kan de drempelvrijstelling worden toegepast, mits de beëindigingsovereenkomst uiterlijk 31 december 2025 getekend is en de werknemer uiterlijk op 31 december 2025 de leeftijd heeft bereikt die (maximaal) 36 maanden vóór de AOW-leeftijd ligt;
  • De drempelvrijstelling geldt zowel voor een uitkering ineens, als voor periodieke uitkeringen ingevolge een RVU;
  • De drempelvrijstelling is enkel van toepassing op uitkeringen uit een RVU die plaatsvinden in de periode vanaf 36 maanden voorafgaande aan de AOW-leeftijd van een werknemer;
  • De drempelvrijstelling is maximaal het in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB genoemde bedrag en wordt berekend per maand, aan de hand van het aantal maanden vanaf de (eerste) uitkering tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd van de werknemer, met een maximum van 36 maanden. Vindt de (eerste) uitkering dus plaats op een moment dat gelegen is op minder dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd in, dan geldt de vrijstelling alleen nog voor de resterende maanden. Bovendien wordt een gedeelte van een maand naar boven afgerond;
  • Bedraagt een vergoeding ingevolge een RVU meer dan het bedrag van de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere de RVU-heffing verschuldigd.

 

Wanneer niet is voldaan aan de voorwaarde voor wat betreft de 36-maandsperiode voor de AOW-leeftijd, dan is de RVU-drempelvrijstelling niet van toepassing en is RVU-heffing verschuldigd over de volledige uitkering.

Commentaar

In onderdeel 5 in de Handleiding wordt steeds gesproken over een drempelvrijstelling. Wij gaan er echter vanuit dat hiermee een ‘voetvrijstelling’ is bedoeld. Dit komt overeen met de wettekst, waarin (onder meer in lid 7 van artikel 32ba) wordt gesproken over ‘voor zover’. Bij een ‘voetvrijstelling’ geldt dat wanneer men erover heen gaat, het meerdere wordt belast. Bij een ‘drempelvrijstelling’ wordt wanneer men over de drempel heengaat het geheel belast.

In het Staatsblad van 21 januari publiceerde minister Koolmees het besluit van de inwerkingtreding van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Het onderdeel dat betrekking heeft op de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof en het onderdeel van de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij RVU’s zijn inwerking getreden op 1 januari 2021.

De inwerkingtreding van het recht om maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen, periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler of een nettolijfrente te laten afkopen (keuzerecht bedrag ineens) is uitgesteld. De beoogde inwerkingtredingsdatum van deze artikelen is 1 januari 2023. Zie ook ons nieuwsbericht hierover op 14 januari 2021.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen:

Dit bericht is aangepast naar de stand van zaken op 11 februari 2021