Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe en wat te verevenen? Postrelationele solidariteit

4 september 2017

Rechtbank Rotterdam: Het wettelijke uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, is onverkort van toepassing ook indien een afstortingsplicht bestaat. De afstorting dient dan ook zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op pensioen in beginsel ook in dezelfde mate zijn verzekerd. Onderdekking verhoudingsgewijs verdelen tussen beide partijen. Postrelationele solidariteit als in Hoge Raad 14 april 2017.

De casus; maakt pensioen deel uit van de gemeenschap?

X (de man) en Y (de vrouw) waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Na hun echtscheiding moet onder andere het in eigen beheer opgebouwde pensioen van X worden verevend. In het echtscheidingsconvenant staat dat de pensioenaanspraken vallen onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) en dat X zekerheid stelt voor de uiteindelijke pensioenaanspraak van Y door het verstrekken van een eerste hypotheek op de nieuw door X te verwerven woning. De tot de gemeenschap van partijen behorende woning is in economische zin toebedeeld aan X. X en Y zijn ieder voor de onverdeelde helft juridisch eigenaar.

Y vraagt de rechtbank Rotterdam om;

  • X te veroordelen om een recht van eerste hypotheek te verstrekken op de voormalige echtelijke woning ter verzekering van de aankoop van een voor haar direct ingaand pensioen zodra zij haar pensioengerechtigde leeftijd bereikt tot een totaal bedrag van € 871.404;
  • te bevelen dat X op eerste vordering van Y per haar pensioendatum aan haar de voor de aankoop van pensioen benodigde som ter beschikking stelt, bij gebreke waarvan zij gerechtigd zal zijn om haar hiervoor bedoelde hypotheekrechten uit te oefenen;
  • subsidiair: X te veroordelen om aan Y zekerheid te verschaffen of aan haar de middelen te verschaffen om de benodigde verzekering af te sluiten, althans om haar rechten op pensioen te verwezenlijken en veilig te stellen buiten de invloedssfeer van de X.

X stelt daar tegenover dat het pensioen deel uitmaakt van de bij helfte te verdelen gemeenschap. Y betwist dat het te verevenen pensioen deel uitmaakt van de gemeenschap, waardoor verevenen op basis van de WVPS voor hem leidt tot benadeling voor meer dan een kwart (3:196 BW), dan wel wederzijdse dwaling (6:229 BW), dan wel ongerechtvaardigde verrijking van Y (6:212 en 6:249 BW).

De rechtbank: pensioen maakt geen deel uit van de gemeenschap

De rechtbank wijst de vordering van X af. Op grond van artikel 11 van de WVPS bij scheiding vindt er alleen geen verevening plaats als echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding ‘uitdrukkelijk’ anders hebben bepaald. Hiervan is volgend de rechtbank geen sprake omdat partijen in het convenant nu juist de WVPS van toepassing hebben geacht.

Als juridisch mede-eigenaar heeft Y geen belang bij vestigen hypotheek

Ook de eis van Y om een hypotheek te vestigen wijst de rechtbank af. Zij heeft hier geen belang bij omdat zij in juridische zin mede-eigenaar is van de woning. Dit omdat X in de huidige situatie, net als nadat een hypotheekrecht ten behoeve van Y zal zijn gevestigd, de medewerking van Y nodig is om het huis te kunnen leveren aan een derde. De omstandigheid dat X het convenant niet is nagekomen door op andere woningen die hij na de echtscheiding kocht geen hypotheekrecht te vestigen ten behoeve van Y, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.

In beginsel commerciële waarde, maar tekort evenredig verdelen

Blijft over de vraag welk bedrag X aan Y per haar pensioendatum ter beschikking moet stellen, Volgens Y is dat de commerciële bruto koopsom die bij een verzekeraar nodig is om de aanspraken te financieren en die zij berekent op € 871.404.

De rechtbank overweegt hierbij dat het wettelijk uitgangspunt is dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen malen op het opgebouwde pensioen. Dit is onverkort van toepassing als er een afstortingplicht bestaat. De afstorting dient dan ook zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel ook in de zelfde mate zijn verzekerd.
Daarbij hanteert de rechtbank het volgende uitgangspunt. Indien een vennootschap een pensioentoezegging doet, moet zij zorg dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. Indien en voor zover de opbouw van het pensioen in eigen beheer plaatsvindt, moet zij daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe beschikken in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen. Daarbij moet worden uitgegaan van de commerciële waarde van de toezegging, waarbij de marktrente tot uitgangspunt wordt genomen.
Indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is, zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening leidt. Volgens de rechtbank wordt alleen aldus voldoende recht gedaan aan het uitgangspunt dat de aanspraken van partijen (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.
De datum van echtscheiding is daarbij bepalend omdat de aanspraak van Y immers niet afhankelijk moet zijn van het daarna door X gevoerde beleid. Beoordeeld moet worden op het in de BV op die datum aanwezige kapitaal toereikend was om én de pensioenaanspraak van de vrouw af te storten én de overblijvende pensioenaanspraak van de man te dekken. Tevens dient vast te komen te staan welk bedrag Y thans nodig heeft om haar aanspraak per de datum van de echtscheiding te realiseren als gevolg van het feit dat er niet eerder is afgestort en of de waarde van de voormalige echtelijke woning voldoende is om tot zekerheid van de aanspraak te dienen.

De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om zich over de financiële implicaties van dit oordeel van de rechtbank uit te laten. Mochten ze daar niet uitkomen, dan benoemt de rechtbank een deskundige.

Commentaar

De rechtbank volgt de lijn van de postrelationele solidariteit die inmiddels ook door de Hoge Raad is onderschreven. Zie ons nieuwsbericht van 24 april 2017. Postrelationele solidariteit houdt in dat een onderdekking van pensioen in eigen beheer op de echtscheidingsdatum verhoudingsgewijs wordt verdeeld tussen zowel de man als de vrouw.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Rotterdam, 26 juli 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 september 2017.