Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe staat het met de lijfrente?

28 juli 2016

Hoeveel bedraagt de maximale premieaftrek voor een lijfrente? Wat gebeurt er als u te veel premie betaald? Hoe wordt de afkoopwaarde berekend? Op deze en andere vragen gaan hier verder in.

Maximale lijfrentepremieaftrek

Belastingplichtigen die bij aanvang van 2016 nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt kunnen in dat jaar lijfrentepremie aftrekken als zij daarvoor ruimte hebben. De lijfrente jaarruimte bereken je volgens de formule: (13,8% x P) – 6,5A – F
P staat voor de premiegrondslag. Deze bestaat uit winst uit onderneming voor toe- of afname van de FOR, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen in het voorafgaande jaar, verminderd met een franchise van €11.996. De maximale premiegrondslag bedraagt in 2016 €101.519
A staat voor de aan het vorige jaar toe te rekenen aangroei van het pensioen (factor A).
F staat voor toename van oudedagsreserve (FOR) van het vorige kalenderjaar.

De belastingplichtige kan de jaarruimte verhogen met de reserveringsruimte, de en stakingslijfrente en de lijfrente voor omzetting van de FOR. De reserveringsruimte bestaat uit de niet benutte jaarruimte van de zeven voorafgaande kalenderjaren. De reserveringsruimte is het laagste bedrag van:

  • De som van de niet benutte jaarruimte;
  • 17% van de premiegrondslag of
  • €7.088

 

Het maximum van €7.088 wordt verdubbeld als de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar ouder is dan de AOW-leeftijd min 10 jaar.

De belastingplichtige kan de premieaftrek verhogen als hij de in het kalenderjaar gerealiseerde stakingswinst omzet in een lijfrente. Afhankelijk van de omstandigheden zoals de leeftijd van de belastingplichtige, arbeidsongeschiktheid of overlijden en of de lijfrente direct ingaat is de verhoging maximaal € 449.283, € 224.649 of € 112.330. De belastingplichtige kan de maximale lijfrentepremie verder verhogen door omzetting van de oudedagsreserve in een lijfrente.

Ingangs- en einddatum

Soort lijfrente Ingangsdatum Einddatum

Oudedagslijfrente

Uiterlijk de AOW-leeftijd + 5 jaar

Lijfrenteverzekering: overlijden

Bancaire lijfrente na ten minste 20 jaar + jaren waarin de lijfrente is ingegaan vóór de AOW-leeftijd

Tijdelijke oudedagslijfrente (opgebouwd tot 2014)

Niet eerder dan het kalenderjaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt en

Niet later dan het kalenderjaar waarin de 70-jarige leeftijd wordt bereikt of AOW-gerechtigde leeftijd + 5 jaar

Minimaal 5 jaar na de ingangsdatum

Tijdelijke oudedagslijfrente (opgebouwd na 1-1-2014)

Niet eerder dan het kalenderjaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt en

Niet later dan 5 jaar na het kalenderjaar waarin de AOW-leeftijd is bereikt

Minimaal 5 jaar na de ingangsdatum

Overbruggingslijfrente (opgebouwd voor 1-1-2007)

Niet bancair

Vrij

Kalenderjaar waarin:

  • de 65-jarige leeftijd wordt bereikt of
  • de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt of
  • het pensioen ingaat

 

Saldomethode

De lijfrente-uitkering is belast voor zover de belastingplichtige de premies hiervoor heeft afgetrokken. Dat houdt in, dat op de uit te keren lijfrentetermijnen eerst de bedragen in mindering worden gebracht die niet zijn afgetrokken. De uitkering is dus pas belast nadat de uitkeringen uitgaan boven de som van de niet afgetrokken premies. Dit noemen we de saldomethode. De saldomethode is beperkt. Jaarlijks mag de belastingplichtige maar een bedrag van maximaal € 2.269 aan het onbelaste saldo toevoegen.

Volgens de rechter mag een belastingplichtige gebruik maken van de saldomethode voor zover hij kan aantonen dat hij de premie niet heeft afgetrokken; zie ons bericht van 30 april 2015. Het is dus zaak dat de belastingplichtige zelf goed bijhoudt welke premies hij niet heeft afgetrokken.

Een belastingplichtige kan, in plaats van de saldomethode, er ook voor kiezen om te veel betaalde lijfrentepremies te laten terugstorten. Volgens het verzamelbesluit van 13 juni 2012 voor lijfrenten mag een belastingplichtige de teveel betaalde lijfrentepremie op zijn lijfrentespaar- of beleggingsrekening ook laten terugstorten. Hij moet dat doen binnen drie maanden na de storting van de premie. Maar de staatssecretaris keurt goed dat de terugstorting ook na drie maanden plaatsvindt. Deze toezegging geldt voor de premies die betaald zijn in de jaren 2012 tot en met 2016. Belastingplichtigen die hierop een beroep willen doen moeten aan de inspecteur een “verklaring geruisloze terugstorting” vragen. Dit kan tot 31 december 2017. Meer hierover leest u in ons bericht van 30 juni 2015.

Compensatie kosten

In het kader van de woekerpolis affaire verstrekken verzekeraars compensaties voor in rekening gebrachte kosten. In het beleidsbesluit van 20 december 2011 geeft de staatssecretaris aan dat het compensatiebedrag deel uitmaakt van de lijfrente. Hij gaat in de besluit zelfs verder. Hij keurt goed dat de eenmalige uitkering niet wordt aangemerkt als afkoop van de lijfrente. De rechter bevestigt dit. Een belastingplichtige meende dat de kostenvergoeding niet tot het lijfrentekapitaal mocht worden gerekend. Maar volgens de rechter is de ontvangen compensatievergoeding onderdeel van de lijfrente-uitkeringen en valt daarom onder de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in de Wet IB. Als dat niet het geval zou zijn, dan zou de compensatie beschouwd moeten worden als een teruggaaf van een deel van de eerder betaalde (en afgetrokken) lijfrentepremies en dus als negatieve uitgaven voor inkomsensvoorzieningen als bedoeld in de Wet IB. In beide gevallen leidt dat tot belastbaarheid van het bedrag. Deze uitspraak bespraken wij in ons bericht van 2 juni 2016.

Wanneer de kostenvergoeding eenmalige wordt uitgekeerd in plaats van bijgeschreven op de lijfrenteverzekering, merkt de staatssecretaris dit niet aan als afkoop van de lijfrenteverzekering. In het beleidsbesluit van 20 december 2011 schrijft de staatsecretaris dat op dat moment alleen de uitgekeerde kostenvergoeding belast is.

Waarde aanspraak bij afkoop

Sinds 1 januari 2016 geldt bij afkoop van een lijfrenteverzekering of –rekening de minimumwaarderingsregel niet meer. Volgens deze regeling werd de waarde bij afkoop ten minste gesteld op betaalde premies vermeerderd met het daarover behaalde rendement. Maar als het rendement negatief was moest de belastingplichtige toch belasting betalen over de in aftrek gebrachte premies. Met ingang van 2016 is de afkoopwaarde gelijk aan de waarde in het economische verkeer op de afkoopdatum. De staatssecretaris keurde goed dat deze regel al werd toegepast voorafgaande aan de wetswijzing, zie ons bericht van 17 september 2015.

Revisierente

Bij afkoop van een lijfrente is de belastingplichtige naast inkomstenbelasting over de waarde van de aanspraak ook 20% revisierente verschuldigd. Een belastingplichtige vroeg de rechter om het bedrag van de revisierente te verminderen tot nihil vanwege de psychische toestand waarin hij ten tijde van de afkoop verkeerde. Volgens de rechter bieden de wettelijke bepalingen niet de mogelijkheid om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van een belastingplichtige. De wettelijke bepalingen strekken ertoe oneigenlijk gebruik van lijfrentepremieaftrek tegen te gaan. In dat geval wordt het voordeel van de fiscale facilitering teruggenomen. Zie ook ons bericht van 7 oktober 2015.

Een pleidooi van een belastingplichtige dat de revisierente in strijd is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vond geen genade in de ogen van de rechter. De rechter stelt vast dat uit de wet en de parlementaire behandeling blijkt dat revisierente geen boete is maar een middel om eerder genoten fiscaal voordeel te corrigeren. Het beroep op het EVRM faalt daarom. Uit het Protocol van het ERVM vloeit voort dat iedereen recht heeft op het ongestoorde genot van zijn eigendom en dat dit door niemand zal worden ontnomen. Behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Volgens de rechter is er sprake van een behoorlijk evenwicht tussen het algemeen belang en het belang van de belastingplichtige. De revisierente is volgens de rechter legitiem, toegankelijk en voorzienbaar. Zie ons bericht van 22 januari 2016.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 juli 2016