Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe staat het met: de Toekomst Pensioenstelsel discussie?

23 augustus 2016

Dit nieuwsbericht geeft een overzicht van de stand van zaken van de discussie over de toekomst van ons pensioenstelsel. De SER onderzocht hoe de aanvullende pensioenen in de toekomst vorm kunnen krijgen en welk transitie pad daarvoor nodig is. In dit nieuwsbericht zetten we de stand van zaken op een rijtje.

Inleiding

Begin 2004 vroeg de staatssecretaris van SZW de SER hoe zij aankijkt tegen de aanvullende pensioenen en welk transitie pad nodig is voor een eventuele aanpassing. Deze vraag kwam voort uit de eerder dat jaar gestarte Nationale Pensioendialoog. Aanleiding voor de pensioendialoog waren vragen over de financiële en maatschappelijke houdbaarheid van aanvullende pensioenen. Met name door de financiële crisis in 2008 werden de kwetsbaarheden van het stelsel voor alle betrokkenen duidelijk. De SER publiceerde in februari 2015 het Advies Toekomst Pensioenstelsel en in mei 2016 de Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. De staatssecretaris bracht daarop in juli 2016 de Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel uit.

Advies Toekomst Pensioenstelsel

In het Advies Toekomst Pensioenstelsel verkende en beoordeelde de SER vier varianten om het pensioenstelsel te ontwikkelen en te versterken. Deze varianten verschillen van elkaar op het gebied van opbouw van het pensioenvermogen, keuzevrijheid, mate van collectiviteit en risicodeling tussen generaties. De SER bekeek deze varianten:

  • I:uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw;
  • II: nationale pensioenregeling;
  • III: persoonlijk pensioenvermogen met vrijwillige risicodeling;
  • IV: persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling.

 

De laatste variant bestempelde de SER als “interessant, maar onbekend” en kondigde aan deze nader te willen bestuderen en te verkennen.

Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling

De resultaten van het nadere onderzoek naar variant IV publiceerde de SER in mei 2016 in de Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. De “interessante maar onbekende variant” is volgens de SER na nadere invulling en vergelijking met andere varianten meer bekend geworden en blijft interessant. Ook variant I, de uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw, is in de Verkenning nog nadrukkelijk in beeld. De varianten II en III beoordeelde de SER als minder interessant en bleven in de Verkenning verder onbesproken.

De SER verdeelt variant IV in drie subvarianten. Variant IV-A is de basis optie en voorziet enkel in het delen van biometrische risico’s en de risico’s die samenhangen met arbeidsongeschiktheid. In variant IV-B, de hybride optie, worden ook de beleggingsrisico’s gedeeld binnen bestaande generaties, bijvoorbeeld in de uitkeringsfase. In variant IV-C, de optie met uitgebreide risicodeling, worden de beleggingsrisico’s ook gedeeld met toekomstige generaties.

De SER concludeert dat “een werkend prototype van variant IV-C is ontwikkeld". Daarmee is deze variant niet langer onbekend. De analyse toont aan dat de variant ook daadwerkelijk interessant is in het licht van een toekomstbestendig pensioenstelsel. Variant IV-C verbindt de sterke eigenschappen van uitkeringsovereenkomsten en premieovereenkomsten. De intergenerationele risicodeling van beleggingen via een buffer leidt tot stabielere en/of hogere pensioenuitkomsten dan in de varianten waarmee deze variant is vergeleken. Vooraf worden heldere verdeelregels over de buffer afgesproken. Doordat de buffer niet negatief mag zijn kunnen risico’s niet worden doorgeschoven naar toekomstige generaties. Wel heeft de buffer als nadeel dat de pensioenregeling complexer is en voor deelnemers minder transparant is dan varianten zonder expliciete buffers. Binnen persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling zal het delen van het macro-langlevenrisico het pensioeninkomen voor de oudere deelnemer stabiliseren en zorgt het life cycle beleggen ervoor dat het beleggingsbeleid beter kan aansluiten bij de leeftijd van de deelnemer.”

Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel

In de op 8 juli 2016 gepresenteerde Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel geeft de staatssecretaris van SZW aan langs welke vier hoofdlijnen zij wil komen tot een stelsel waarin collectiviteit en solidariteit behouden blijven. Maar dat beter aansluit bij de veranderende arbeidsmarkt. Een stelsel dat explicieter uitgaat van de risico’s die nu eenmaal onvermijdelijk horen bij pensioenopbouw. Hierdoor krijgen deelnemers en pensioengerechtigden meer realistische verwachtingen over hun pensioen. Een stelsel dat inclusiever is, maatwerk mogelijk maakt en ruimte biedt voor het maken van individuele keuzes. Deze vier hoofdlijnen zijn:

  • 1. Toereikend pensioen voor alle werkenden;
  • 2. Afschaffen doorsneesystematiek;
  • 3. Nieuwe pensioenovereenkomst;
  • 4. Keuzevrijheid en maatwerk.

 

De staatssecretaris gaat daarbij in op de verschillende soorten pensioenovereenkomsten die de SER in kaart bracht. Zij geeft daarbij aan dat de contractvormen IV-A en IV-B vanaf september 2016 al mogelijk zijn met de Wet verbeterde premieregeling. Variant IV-C vindt zij interessant en wil zij verder onderzoeken. De uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw noemt zij “een wenkend perspectief”. Het kabinet wil de komende maanden bezien of deze varianten mogelijk gemaakt kunnen worden en hoe aan alle randvoorwaarden kan worden voldaan. Als daarover meer duidelijkheid is, kan in de toekomst een definitieve weging worden gemaakt.

De agenda voor deze kabinetsperiode

De staatssecretaris geeft aan dat aanpassing van het pensioenstelsel een ingrijpende operatie is. Dit vraagt om grote zorgvuldigheid ook in juridische zin. Het vraagt om voldoende voorbereidingstijd voor pensioenuitvoerders en een tijdige en heldere communicatie met de deelnemers. De afgelopen periode is op vele fronten hard gewerkt aan de bouwstenen voor een nieuw stelsel. De uiteindelijke invulling en uitvoering komt pas in de volgende kabinetsperiode aan de orde. Er zijn echter genoeg vraagstukken die op korte termijn om een verdere uitwerking vragen. Het is volgens de staatssecretaris belangrijk om de vaart erin te houden, zodat invoering van een nieuw stelsel per 2020 mogelijk blijft. Het kabinet houdt bij deze vraagstukken de regie en zal gezamenlijk met het pensioenveld en sociale partners een aantal zaken na de zomer verder uitwerken. Daarbij hanteert het de volgende agenda.

  • Relevant is naar welke pensioenovereenkomst partijen eventueel willen overstappen en hoe deze eruit komt te zien. De Pensioenfederatie gaf aan de komende tijd te onderzoeken hoe in de praktijk een overstap op een ander contract kan uitpakken voor verschillende fondsen. Op basis van deze exercitie kan beoordeeld worden of verdere trechtering wenselijk is.
  • De transitie bij het afschaffen van de doorsneepremie moet verder worden uitgewerkt. Daarbij moet worden bezien wat dit betekent voor verschillende pensioenfondsen en verzekeraars. Verder zal in kaart worden gebracht in hoeverre een evenwichtige transitie binnen een korte periode mogelijk is.
  • Het kabinet zal samen met DNB en AFM in beeld brengen welke gevolgen de verschillende pensioenovereenkomsten voor het toezicht zullen hebben. In samenhang daarmee kan bezien worden welke gevolgen dat heeft bij de invulling van de nadere randvoorwaarden voor de verschillende pensioenovereenkomsten.
  • Als er meer duidelijkheid is over de nadere invulling van de pensioenovereenkomsten, kunnen ook de juridische en fiscale kaders nader worden uitgewerkt.
  • De SER zal zich de komende maanden buigen over de positie van zelfstandigen in het toekomstige pensioenstelsel.

 

Conclusie

Na een pensioendialoog, een SER-Advies, een SER-Verkenning en een perspectiefnota is alleen de richting waarin de discussie over de toekomst van ons pensioenstelsel zich beweegt inmiddels duidelijk. De premieovereenkomst met degressieve opbouw en het persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling hebben de voorkeur. Echte knopen hakt het kabinet nog niet door. Het legt de bal in eerste instantie (weer) bij de sociale partners. Een keuze is nog niet gemaakt. Het blijft bij nader onderzoek en een definitieve weging van de alternatieven wordt pas in de toekomst gemaakt. Daarbij loopt de discussie (te) veel via economische en actuariële lijnen en is er (te) weinig aandacht voor de juridische en fiscale componenten. Bijvoorbeeld het onderscheid op basis van leeftijd dat een uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw in zich heeft. Dergelijk onderscheid is alleen toegestaan als sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Dat wil zeggen dat het onderscheid objectief is gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Het College voor de rechten van de mens (v/h CGB) hanteert daarbij steeds de volgende lijn. Een doel is legitiem als het voldoende zwaarwegend is dan wel beantwoordt aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist verder dan geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Een middel is passend wanneer het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk als het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid geen strijd op met de gelijke behandelingswetgeving.

Het doel is de huidige vormgeving van het pensioenstelsel aan te passen om de financiële en maatschappelijke houdbaarheid van het stelsel te versterken. Daartoe moet het stelsel zich aanpassen aan demografische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Dit is op zich een legitiem doel. Het middel waarmee dit doel moet worden bereikt, is een degressieve opbouw. De staatssecretaris gaat er in de Perspectiefnota vrij gemakkelijk vanuit dat “de overstap op degressieve opbouw beschouwd wordt als een passend en noodzakelijk middel om dit doel te bereiken”. Een middel is echter alleen passend en noodzakelijk als er geen andere middelen zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt en er sprake is van geen of minder ongelijke behandeling.

Het op zich legitieme doel kan echter ook worden bereikt door een pensioenregeling de vorm te geven van een premieovereenkomst met een voor alle deelnemers zelfde percentage van de pensioengrondslag als beschikbare premie. Materieel is er dan ook sprake van een degressieve opbouw. Bij een dergelijke premieovereenkomst is op basis van vaste jurisprudentie geen sprake van ongelijke behandeling op grond van leeftijd. Het is naar onze mening dan ook niet bij voorbaat zeker dat er voor de uitkeringsovereenkomst met degressieve opbouw een objectieve rechtvaardigingsgrond geformuleerd kan worden.

Om met een premieovereenkomst met een voor alle deelnemers zelfde percentage van de pensioengrondslag als premie een vergelijkbaar pensioenresultaat te behalen als een middelloonregeling, is echter een fors hoger percentage nodig dan nu door de belastingdienst toegestaan. Om dat te bereiken is aanpassing van de fiscale kaders noodzakelijk. Zie voor een uitgebreide uiteenzetting daarover mijn onlangs in Weekblad fiscaal recht gepubliceerd artikel.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis.

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 augustus 2016.