Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe staat het met pensioenen?

12 augustus 2016

Dit nieuwsbericht geeft een overzicht van de stand van zaken van diverse onderwerpen met betrekking tot pensioenen. In aparte nieuwsberichten gaan wij uitgebreid in op flexibele pensioenuitkeringen (doorbeleggen na pensioendatum), de toekomst van het pensioenstelsel en het pensioen van de DGA.

In dit overzicht:

  • Nationale onderwerpen
    a. De nieuwste pensioenuitvoerder
    b. Uitbreiding van de invloed van de OR
    c. Afkoop van kleine pensioenen
  • Internationale onderwerpen
    a. De België route
    b. Herziening van de pensioenfondsenrichtlijn

 

1a. De nieuwste pensioenuitvoerder: het Algemeen Pensioenfonds

Met ingang van 1 januari 2016 is Nederland een nieuwe pensioenuitvoerder rijker: het Algemeen Pensioenfonds (APF). Tot augustus 2016 kregen twee Algemeen Pensioenfondsen hun vergunning van DNB. De eerste vergunning verleende DNB aan het Algemeen Pensioenfonds STAP en de tweede aan Centraal Beheer Algemeen Pensioenfonds.

Een APF mag ringfencen

Het APF heeft een aantal specifieke kenmerken die het van andere typen pensioenfondsen onderscheidt. Eén van de meest kenmerkende aspecten van een APF is dat het meerdere pensioenregelingen mag uitvoeren en daarvoor – in tegenstelling tot de traditionele pensioenfondsen - afgescheiden vermogens mag aanhouden per zogenoemde collectiviteitskring. Binnen deze collectiviteitkringen delen de deelnemers de risico’s met elkaar. Het APF kan de indeling van de collectiviteitskringen zelf bepalen. Veelal verschillen de collectiviteitskringen op het gebied van beleggingsbeleid en daarmee van indexatiepotentieel.

Bestuur en medezeggenschap

Een APF heeft veelal één overkoepelend bestuur van onafhankelijke bestuurders dat verantwoordelijk is voor alle regelingen die het APF voor de aangesloten collectiviteitskringen uitvoert. Binnen een APF is er medezeggenschap over onder andere beleggings-, toeslagen- en premiebeleid. Elke collectiviteitskring heeft hiervoor een belanghebbendenorgaan. Dit orgaan heeft belangrijke goedkeurings- en adviesrechten en bestaat uit vertegenwoordigers van de werkgever, de deelnemers en de pensioengerechtigden. Een APF kan dus meerdere verantwoordingsorganen of belanghebbendenorganen hebben. De taken en bevoegdheden van deze organen zien alleen op de eigen collectiviteitskring en niet op de bedrijfsvoering van het pensioenfonds.

Fiscaliteit

Net als andere pensioenfondsen is een APF in beginsel vrijgesteld voor de heffing van vennootschapsbelasting. Een belangrijke fiscale voorwaarde is dat de baten voor het grootste deel uiteindelijk ten goede moeten komen aan de pensioengerechtigden. Voor de omzetbelasting (btw) geldt dat de gebruikelijke systematiek voor pensioenfondsen wordt toegepast. Dat betekent dat het APF weliswaar ondernemer is voor de omzetbelasting, maar voor een groot gedeelte is vrijgesteld van heffing van btw. Daar staat tegenover dat in rekening gebrachte btw niet aftrekbaar is. Het btw-regime kan per collectiviteitkring verschillen. Dit hangt af van het type pensioenregeling (DC of DB) dat in de betreffende collectiviteitkring wordt uitgevoerd.

1b. Uitbreiding van de invloed van de OR

Werkgevers en werknemers zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de arbeidsvoorwaarde pensioen. Het is daarom belangrijk dat beide partijen hierop een bepalende invloed kunnen uitoefenen. Wanneer een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) het onderwerp pensioen inhoudelijk regelt, is de invloed van beide partijen verzekerd. Wanneer dat niet zo is, moet de invloed van werknemers gerealiseerd worden via het instemmingsrecht van de ondernemingsraad (OR).

Na een wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet krijgt de OR instemmingsrecht over de arbeidsvoorwaardelijke aspecten van de pensioenregeling. Ongeacht of de pensioenuitvoerder een pensioenfonds, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling is.

De OR had geen instemmingsrecht ten aanzien van de keuze van de pensioenuitvoerder, omdat de werkgever daarvoor verantwoordelijk is. In het oorspronkelijke wetsvoorstel bestond daarop één uitzondering: de OR had wel instemmingsrecht als het een buitenlandse pensioenuitvoerder betreft. In de uiteindelijke tekst van de wet is dit geschrapt. Na invoering van de wet heeft de OR instemmingsrecht op de keuze van de pensioenuitvoerder, ongeacht in welk land deze is gevestigd.

De wet treedt in werking op 1 oktober 2016.

1c. Afkoop kleine pensioenen

Staatssecretaris Klijnsma stuurde de Tweede Kamer op 14 april 2016 een beleidsbrief over waardeoverdracht. Daarin staat onder meer dat zij het recht van pensioenuitvoerders tot afkoop van kleine pensioenen gaat veranderen.

Klijnsma: “Ik vind het een groot goed dat aanspraken hun pensioenbestemming behouden. Dat mensen niet geconfronteerd worden met een afkoop. Dat gaat ten koste van hun pensioen. Vooral voor mensen met parttime banen of banen in bepaalde sectoren. Daarom ga ik zorgen dat hun pensioenpotjes samengevoegd kunnen worden.’’

Afkooprecht wordt verplichte overdracht van klein pensioen

Klijnsma wil pensioenuitvoerders verplichten om de waarde van kleine pensioenen over te dragen naar de nieuwe pensioenuitvoerder. Als een deelnemer na einde van het dienstverband geen nieuwe werkgever heeft, moet de pensioenuitvoerder de waarde van het pensioen overdragen naar de vorige uitvoerder met de hoogste pensioenaanspraken van die deelnemer. Dit vraagt om informatie-uitwisseling tussen de betrokken uitvoerders. Klijnsma zal in overleg met het Pensioenregister bekijken welke mogelijkheden hiervoor binnen het bestaande systeem zijn en welke aanpassingen eventueel nodig zijn.

De verplichting tot waardeoverdracht geldt voor nieuwe slapersrechten. Klijnsma zal onderzoeken waar uitbreiding naar bestaande slapersrechten mogelijk is, en waar dat op onoverkomelijke bezwaren stuit.

Klijnsma streeft ernaar deze aanpassingen medio 2017 in werking te laten treden.

2a. België-route

Juridisch kader IORP’s

In 2003 kwam de IORP-richtlijn (Institution for Occupational Retirement Provision) tot stand. De richtlijn legt de lidstaten minimumvereisten op met betrekking tot de solvabiliteit van IORP’s.

Bij grensoverschrijdende activiteiten moet een IORP de sociale en arbeidswetgeving van de andere lidstaat toepassen. Concreet betekent dit dat, als een Nederlandse werkgever zijn pensioenovereenkomst laat uitvoeren door een Belgische uitvoerder, het Nederlandse sociaal- en arbeidsrecht en Wet op de loonbelasting van toepassing zijn. Een IORP is in geval van grensoverschrijdende activiteiten ook onderworpen aan eventuele aanvullende informatievoorschriften uit de andere lidstaat.

De IORP staat onder toezicht in de lidstaat van herkomst. De solvabiliteitseisen uit die lidstaat zijn van toepassing. Wanneer een IORP uit België in Nederland actief is, staat deze dus onder toezicht van de Belgische toezichthouder. De Belgische solvabiliteitseisen zijn van toepassing.

Grote politieke opwinding om België-route pensioenfondsen

België profileert zich sinds 2007 als aantrekkelijk vestigingsland voor de uitvoering van grensoverschrijdende pensioenregelingen. België ontwikkelde daarvoor het Organisme voor de Financiering van Pensioenen (OFP). Begin mei 2014 verschenen berichten in de pers over het pensioenfonds van Aon dat overwoog om naar België te verhuizen. Het Financieel Dagblad gaf daarvoor onder meer als reden dat België gezien wordt als een aantrekkelijker pensioenland dan Nederland. Er gelden bijvoorbeeld soepeler governance voorschriften en andere financieringseisen. De berichtgeving in de media gaf grote politieke opwinding. Minister Dijsselbloem verklaarde verhuizen van pensioenfondsen naar België om de Nederlandse regelgeving en toezicht te ontwijken onverantwoord. Op 24 juni 2014 reageerde staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een genuanceerdere manier op de vragen uit de Tweede Kamer.

Verschillen tussen Nederland en België

Bij het vergelijken van de toezichtsystemen in België en Nederland ligt de nadruk veelal op de berekeningswijze van de technische voorziening. In Nederland gevestigde pensioenfondsen moeten hun verplichtingen op grond van het FTK waarderen tegen marktwaarde. In België gevestigde pensioenfondsen kunnen een naar eigen inschatting realistische disconteringsvoet kiezen voor hun verplichtingen, die 6% zou kunnen bedragen. Zij moeten hun keuze wel rechtvaardigen. Waar in Nederland de bescherming van de rechten van de deelnemers vooral tot uitdrukking komt in het vragen van buffers, koos België voor de mogelijkheid van een bijstortingsverplichting voor de werkgever en/of vermindering van toekomstige rechten van deelnemers.

Waarom kiezen bedrijven voor het onderbrengen van hun pensioenregeling in België?

Uit analyse van artikelen in de (vak)pers en jaarverslagen van OFP’s blijkt dat schaalvergroting (met daardoor lagere kosten en meer efficiency) een belangrijke reden is voor de keuze van een OFP. Vooral bedrijven waarvan een OFP hun Belgische pensioenregeling al uitvoert, zien de voordelen van het samenvoegen met de Nederlandse regeling. Andere redenen die een aantal keer genoemd worden, zijn de steeds zwaardere eisen die DNB stelt aan bestuurders van pensioenfondsen en het andere prudentiele kader voor OFP’s en de ruimere beleggingsvrijheid dan in Nederland.

Voor sommige fondsen kan de overstap naar België interessant zijn. Bijvoorbeeld wanneer een pensioenfonds een flexibeler prudentieel kader met een ruimer beleggingsbeleid en een flexibeler inrichting van de governance wenst. Ook multinationals – met onder andere een vestiging in België – zouden een overstap vanuit Nederland en hun pensioenfondsen uit andere landen naar België kunnen overwegen. Aansturing en uitvoering kunnen dan meer gecentraliseerd worden opgepakt, met minder kosten en betere beheersing tot gevolg.

Aantal grensoverschrijdende pensioenfondsen in 2016

Ondanks alle (politieke) ophef lijkt van een massale overstap van pensioenfondsen naar België vooralsnog geen sprake. Het lijkt erop dat Nederlandse pensioenfondsen nog niet warmlopen om naar België te verhuizen.

Uit onderzoek van EIOPA (European Insurance and Occupational Pensions Authority, de Europese toezichthouder) blijkt dat er maar weinig IORP’s grensoverschrijdend actief zijn. Dat zijn er slechts 76 in 2014/2015. In Nederland zijn 13 buitenlandse IORP’s actief in Nederland. Deze IORP’s zijn vooral gevestigd in België, Luxemburg en Groot-Brittannië. Er zijn in België per 1 april 2016 veertien grensoverschrijdend actieve OFP’s, waarvan er zes actief in Nederland.

2b. Herziening pensioenfondsenrichtlijn: wat betekent dit voor Nederland?

Op 30 juni 2016 bereikten het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie een akkoord over de herziening van de IORP-richtlijn. Wat betekent dit voor Nederland?

Waarom een herziening van de IORP-richtlijn?

Sinds de inwerkingtreding van de IORP-richtlijn in 2005 valt het aantal pensioenfondsen dat grensoverschrijdende regelingen uitvoert tegen. De Europese Commissie stelde begin 2014 dan ook een herziening van de richtlijn voor. De belangrijkste wijzingen met de huidige richtlijn hebben betrekking op collectieve waardeoverdracht naar een pensioenfonds in een andere lidstaat en pensioencommunicatie.

Collectieve waardeoverdracht naar andere lidstaat

Voor een collectieve waardeoverdracht van een pensioenfonds naar een pensioenfonds in een andere lidstaat kent de huidige richtlijn geen regels. De herziening van de richtlijn zorgt voor duidelijke spelregels.

DNB kan een collectieve waardeoverdracht van een Nederlands pensioenfonds naar een pensioenfonds in een andere lidstaat tegenhouden als:

  • de rechten van de deelnemers wiens aanspraken worden overgedragen worden aangetast;
  • de rechten van de achterblijvende deelnemers onvoldoende zijn beschermd na de overdracht, of aangetast worden door de overdracht;
  • de regeling in onderdekking is op basis van het Nederlandse financieel toetsingskader.

 

Daarnaast moet een meerderheid van de deelnemers en pensioengerechtigden instemmen met een collectieve waardeoverdracht naar een andere lidstaat. EIOPA kan optreden als bemiddelaar in het geval de toezichthouders van beide lidstaten van mening verschillen over een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. Het gaat hier om niet-bindende bemiddeling.

Pensioencommunicatie

De IORP-richtlijn bepaalt dat er één Europees informatiedocument komt. Het Pension Benefit Statement (PBS; vergelijkbaar met het UPO in Nederland).

Nederland streefde naar het verminderen van het detailniveau van de voorschriften en op het toevoegen van flexibiliteit in hoe en wat er gecommuniceerd wordt. Door de herziening van de richtlijn kunnen lidstaten voortaan zelf bepalen hoe het PBS eruit komt te zien en hoe het wordt verstrekt. Dit mag ook via een website. Wel zijn er regels opgesteld over welke informatie er minimaal verstrekt moet worden in het PBS. Sommige van die regels hebben gevolgen voor Nederland. Zo moet op het UPO ook een slechtweerscenario bij het te verwachten pensioen worden opgenomen. En de mate waarin het pensioen gegarandeerd is. Ook moet een uitsplitsing van de kosten en de dekkingsgraad van het pensioenfonds worden opgenomen. Het gaat hierbij om informatie die in Nederland wel beschikbaar is maar op grond van de wet pensioencommunicatie in het Pensioenregister of in de Pensioen 1-2-3 is opgenomen. Daarnaast moet de deelnemer niet één maand maar drie maanden voorafgaand aan het doorvoeren van een korting daarover worden geïnformeerd.

Auteur: Erik Schouten, internationaal adviseur AEGON Adfis

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 augustus 2016.