Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Hof wijst pensioenverweer af

28 november 2018

Mevrouw A vraagt om vernietiging van de echtscheidingsbeschikking omdat zij na overlijden van de man een veel lagere aanspraak heeft op (bijzonder) nabestaandenpensioen dan zij voor echtscheiding zou hebben. Het Hof wijst het beroep op pensioenverweer af en bekrachtigt de echtscheiding. 

Wat is pensioenverweer? 

Wanneer als gevolg van echtscheiding een bestaand vooruitzicht op partnerpensioen verloren gaat of in ernstige mate wordt verminderd kan een partner de rechter vragen de scheiding niet uit te spreken, tenzij daarvoor een voorziening is getroffen die beide echtgenoten billijk achten. Deze mogelijkheid van pensioenverweer is sinds 1971 geregeld in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:153, lid 1).

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van dit artikel staat:
(…)“door echtscheiding met name de vrouw het ernstige risico loopt bij vooroverlijden van de man slecht verzorgd achter te blijven. De alimentatie houdt dan op, en een pensioenvoorziening of levensverzekering is veelal zo geregeld dat weduwe uitkeringen slechts ten goede komen aan de vrouw met wie de man op het ogenblik van overlijden was gehuwd.”
(…)
“verlies van toekomstige pensioenrechten en vergelijkbare uitkeringen onherstelbaar afbreuk (kan) doen aan de voorziening in het levensonderhoud die voor de vrouw bij voortduring van het huwelijk na 's mans overlijden gewaarborgd zou zijn”. 
(…)

Artikel 153 lid 1 BW heeft dus de strekking te voorkomen dat de vrouw door de echtscheiding in geval van vooroverlijden van de man ernstig zou worden gedupeerd.

Pensioenverweer beperkt uitleggen

Mevrouw A doet beroep op pensioenverweer.

Zij en de heer B trouwden op 2 december 2008. In 2017 werd de echtscheiding. uitgesproken. A vraagt het Hof om de echtscheidingsbeschikking te vernietigen omdat de rechtbank volgens haar ten onrechte is voorbijgegaan aan haar pensioenverweer. Volgens A zou zij bij overlijden van B voor zijn 65e na echtscheiding een veel lagere aanspraak hebben op  nabestaandenpensioen dan zij in de situatie voor echtscheiding zou hebben. Ook vindt A dat zij in ernstige mate benadeeld wordt in het aan haar toekomende nabestaandenpensioen wanneer B na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking hertrouwt. 

Volgens B ontvangt A maar een beperkt bedrag aan partneralimentatie (€ 64 bruto per maand). Daarom kan volgens hem niet redelijkerwijs worden gesteld dat hij een voorziening moet treffen vanwege het wegvallen van de partneralimentatie bij zijn overlijden. Volgens B ontvangt A na zijn overlijden niet alleen het bijzonder partnerpensioen, maar ook een ANW-uitkering of een aanvulling van het ABP op het nabestaandenpensioen. De verwachting is dat het aan A toekomende deel behoorlijk is. Volgens B heeft A ook ouderdomspensioen opgebouwd bij haar werkgever(s). Volgens het Hof is dit laatste niet relevant. Het Hof geeft aan dat volgens vaste rechtspraak artikel 1:153 BW slechts bettrekking heeft op nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals uit een levensverzekering, en niet op bijvoorbeeld uitkeringen uit het ouderdomspensioen van de verzoekende echtgenoot, spaargelden of onroerende zaken. Het gebruikelijke begrip 'pensioenverweer' moet daarom in beperkte zin te worden opgevat, aldus het Hof.

“Teloor gaan of ernstige vermindering” nabestaandenpensioen

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 153 lid 1 BW de strekking heeft te voorkomen dat de vrouw door de echtscheiding in geval van vooroverlijden van de man ernstig zou worden gedupeerd. Niet is bedoeld dat het nabestaandenpensioen bij echtscheiding (nagenoeg) gelijk moet zijn aan het nabestaandenpensioen zonder echtscheiding, aldus het Hof.

Voor wat betreft het nabestaandenpensioen is in dit geval ook artikel 57 van de Pensioenwet van belang, waarin is bepaald dat in geval van scheiding de gewezen partner van de werknemer een zodanige aanspraak op partnerpensioen (een uitkering wegens overlijden) verkrijgt als de werknemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van de scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd.

Uit stukken die A en B overlegden blijkt dat A zonder echtscheiding het vooruitzicht heeft op de navolgende bedragen aan nabestaandenpensioen (per jaar): 
- bij overlijden van de man vóór 65 jaar: € 11.663,
- bij overlijden van de man tussen 65-67 jaar: € 11.663,
- bij overlijden van de man na 67 jaar: € 11.861.
Bij echtscheiding zijn de pensioenvooruitzichten van A tweeërlei. Na vooroverlijden van de man heeft zij dan het vooruitzicht op navolgende bedragen aan bijzonder nabestaandenpensioen (per jaar):
- bij overlijden van de man vóór 65 jaar: € 3.886, 
- bij overlijden van de man tussen 66-67 jaar: € 8.415, 
- bij overlijden van de man na 67 jaar: € 9.484,
alsmede op een aanvulling van het ABP van € 2.215 per jaar, waarmee het vooruitzicht voor de vrouw in genoemde periodes uitkomt op, afgerond, € 6.100, € 10.630 en € 11.699 per jaar.

Het Hof concludeert hieruit dat weliswaar blijkt dat de aanspraken op nabestaandenpensioen door een echtscheiding worden verminderd, maar van een “teloor gaan of ernstige vermindering” van het nabestaandenpensioen als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW geen sprake is. Het Hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Commentaar

In de memorie van toelichting bij dit artikel werd de hoop en verwachting uitgesproken dat meer pensioenregelingen zouden voorzien in een bijzonder partnerpensioen en artikel 1:153 BW daardoor in belang zou verminderen. Gezien het –relatief – geringe aantal beroepen op pensioenverweer, lijkt het erop dat deze verwachting is uitgekomen. Dit zou naar onze mening wel eens kunnen veranderen. Onder meer doordat de meeste pensioenregelingen een partnerpensioen op risicobasis kennen, waardoor er geen bijzonder partnerpensioen is bij scheiding. 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Gerechtshof ’s Hertogenbosch, 18 oktober 2018
Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 november 2018