Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoge Raad volgt postrelationele solidariteit

24 april 2017

Bij postrelationele solidariteit delen de DGA en diens ex-partner de onderdekking van het pensioen in eigen beheer. De Hoge Raad volgt postrelationele solidariteit na scheiding van de DGA nu ook.

Hof Amsterdam: commerciële waarde afstorten

Op 28 oktober 1988 trouwden X en Y in gemeenschap van goederen. Op 30 maart 2010 scheidden zij. Y is enig directeur-grootaandeelhouder van BV A. Het toegezegde pensioen van Y houdt de BV in eigen beheer.

X verzoekt tot afstorting bij een externe verzekeraar van het pensioenaandeel waarop hij recht heeft volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt Y in 2015 om een bedrag af te storten ter grootte van € 198.537 bij een externe, door X te kiezen verzekeraar. Dit is de commerciële waarde van het verevende pensioendeel.

Het hof overwoog hierover onder meer:

“(…) Als uitgangspunt heeft te gelden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen in het algemeen zullen meebrengen dat de vrouw, die als directeur (en meerderheidsaandeelhouder) de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, zorg dient te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak (…) Het hof zal de te benoemen deskundige verzoeken - zo nodig met inschakeling van een pensioendeskundige - antwoord te geven op de vraag hoe hoog het aandeel van de man in de in eigen beheer opgebouwde pensioenvoorziening bedraagt, alsmede onderzoek te doen naar de mogelijkheid van [A] B.V. om het aandeel van de man in de in eigen beheer opgebouwde pensioenvoorziening af te storten, waarbij alle omstandigheden van het geval in ogenschouw moeten worden genomen. Het hof denkt daarbij onder meer aan de omstandigheid, dat niet alleen de pensioenaanspraken van de man, maar ook die van de vrouw in dezelfde mate als die van de man zeker gesteld moeten (kunnen) worden.”

Y gaat in beroep tegen de uitspraak dat de BV € 198.537 moet afstorten. Volgens Y blijven na afstorting onvoldoende middelen in de BV over om haar aandeel in het pensioen te kunnen uitkeren. Het hof hield zich - volgens haar -  niet aan zijn uitgangspunt dat afstorting van het aan de man toekomende deel van het pensioen in eigen beheer er niet toe mag leiden dat de aanspraken van haar en haar ex op dit pensioen niet in dezelfde mate verzekerd zijn.

Hoge Raad laat een ander hof beslissen

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2015 en verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

De Hoge Raad is het eens met het hof dat wanneer een vennootschap een pensioentoezegging doet, zij zorg moet dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. En dat de BV in beginsel over voldoende kapitaal moet beschikken om het pensioen in de toekomst te kunnen uitkeren, bijvoorbeeld in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen. En dat de BV daarbij moet uitgaan van de commerciële waarde van de toezegging die wordt bepaald aan de hand van de marktrente.

Volgends de Hoge Raad onderzocht het hof niet of de BV voldoende middelen heeft om én de pensioenaanspraak van de man af te storten, én de overblijvende pensioenaanspraak van de vrouw te dekken, zodat beide aanspraken in dezelfde mate gedekt zijn. 

De Hoge Raad hierover: “Indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten, waaronder begrepen de meerkosten om na afstorting tot dezelfde pensioenuitkering te komen als waarop deze zonder afstorting aanspraak had kunnen maken, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om (opnieuw naar commerciële waarde berekend) de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig art. 3 lid 1 WVPS leidt. Alleen aldus wordt immers voldoende recht gedaan aan het (…) vermelde uitgangspunt dat de aanspraken van partijen (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.”

De omstandigheden lijken erop te wijzen dat deze middelen niet in de vennootschap aanwezig zijn, aldus de Hoge Raad. Maar dat aspect moet het hof Den Haag verder onderzoeken.

Commentaar

Pensioen in eigen beheer en scheiding is een lastig onderwerp. Dat blijkt wel uit het feit dat in de afgelopen twee jaren diverse zaken over de verdeling van pensioen in eigen beheer na scheiding en afstorten van het verevende deel voor de rechter geweest. Zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht, Postrelationele solidariteit bij scheiding de norm, van 15 februari 2016. Postrelationele solidariteit komt erop neer dat zowel de man als de vrouw de onderdekking van het pensioen in eigen beheer verdelen.

Deze uitspraak laat naar onze mening zien dat de Hoge Raad nu ook de postrelationele solidariteit volgt. In ons nieuwsbericht van 15 februari 2016 vroegen wij ons nog af of de Hoge Raad dit zou doen omdat dit niet overeen zou komen met eerder door de Hoge Raad gewezen arresten. Arresten uit een tijd dat de marktrente veel hoger was dan tegenwoordig.

Dit arrest heeft ook gevolgen voor de compensatie die de DGA moet geven aan zijn (ex) partner als hij in het kader van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer het pensioen prijsgeeft en daarna afkoopt of omzet in een ODV. Kennelijk is het bij die compensatie voldoende als de voor het pensioen aanwezige middelen evenredig verdeeld worden over de DGA en zijn (ex) partner.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Hoge Raad, 14 april 2017; ECLI:NL:HR:2017:693

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 21 april 2017