Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Informatieplicht Pensioenfonds bij beeindiging deelname

29 juni 2018

Een bouwvakker raakt arbeidsongeschikt. Zijn pensioenopbouw wordt voortgezet maar het voorwaardelijke pensioen vervalt. Volgens het pensioenfonds heeft hij te laat gereageerd om de opbouw van het voorwaardelijke pensioen te laten doorgaan. De rechter vindt dat het Pensioenfonds de bouwvakker hierover niet voldoende heeft geïnformeerd.

Voorwaardelijk pensioen

De heer B (geboren in 1952) nam tijdens zijn dienstverband deel aan de pensioenregeling die was ondergebracht bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (Bpf Bouw). Een onderdeel van de regeling is de zogenaamde “aanvullingsregeling 55min”. Deze regeling is uitsluitend bestemd voor deelnemers aan de pensioenregeling die op 1 januari 2005 jonger waren dan 55 jaar. De regeling kent aan deze deelnemers - onder voorwaarden - een aanvulling toe op het door hen opgebouwde ouderdomspensioen. De aanvullingsregeling 55min kwam in 2006 in de plaats van een eerder bestaande vroegpensioenregeling.

Met ingang van 16 januari 2012 eindigde het dienstverband van B wegens volledige arbeidsongeschiktheid (80-100%). De pensioenopbouw van B bij het Bpf Bouw – met uitzondering van de aanvullingsregeling 55min – is gedeeltelijk voortgezet zónder de verplichting daarvoor premie te betalen. In het pensioenreglement van Bpf Bouw staat dat ten aanzien van de aanvullingsregeling 55min geen premievrije voortzetting plaatsvindt bij arbeidsongeschiktheid. Alleen als ten minste tot aan het bereiken van zijn 60-jarige leeftijd, dus tot 2 augustus 2012, voor hem premie zou zijn betaald, zou B aan de aanvullingsregeling 55min nog aanspraken hebben kunnen ontlenen. Volgens het pensioenoverzicht 2012 bedroeg het voorwaardelijke pensioen eind 2011 nog ruim € 7.900. Het jaar daarop bedraagt het € 0. In het pensioenoverzicht meldt het Bpf bouw hierover:

“Het voorwaardelijk pensioen ontvangt u alleen als u voldoet aan de voorwaarden. U voldoet niet aan alle voorwaarden.”

Volgens de pensioenregeling van het Bpf Bouw kan een gewezen deelnemer bij beëindiging van zijn verplichte deelneming anders dan door overlijden of door het bereiken van de pensioendatum zijn deelname vrijwillig voortzetten voor een periode van maximaal drie jaar. Deze vrijwillige deelneming geldt ook voor de 55min regeling. De vrijwillige deelneming gaat direct in na einde deelneming en moet door de deelnemer schriftelijk worden verzocht binnen negen maanden na het einde van de verplichte deelneming.

B verzocht Bpf Bouw op 7 april 2013 telefonisch en op (12 augustus 2013 schriftelijk om zijn deelneming aan de 55min regeling vrijwillig voor te zetten. Bpf Bouw wees dit verzoek af omdat dit meer dan negen maanden na het einde van de deelneming was gedaan. B was het hier niet mee eens omdat Bpf Bouw hem onvoldoende zou hebben gewezen op de termijn van negen maanden. Bpf Bouw beroept zich op de termijn van negen maanden en stelt B hierover voldoende te hebben geïnformeerd.

Bpf Bouw voldoet niet aan informatieplicht

De rechter stelt B in het gelijk.

Bij einde deelneming moet Bpf Bouw aan de gewezen deelnemer (B) een opgave van zijn opgebouwde pensioenaanspraken verstrekken en ontvangt B tevens ‘informatie over de toeslagverlening, en alle overige informatie die de Pensioenwet of daarop berustende wet- en regelgeving voorschrijft’. Van bijzonder belang zijn hier:

  • Artikel 39, eerste lid, aanhef en onder c, Pensioenwet: “De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming: (…) informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van de beëindiging relevant is”.
  • Artikel 6, aanhef en onder c, Besluit uitvoering Pensioenwet: “De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over: (…) de consequenties van arbeidsongeschiktheid”.

 

Bpf Bouw had volgens de rechter dus de verplichting om B te informeren over de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de aanvullingsregeling 55min. Gezien het belang van B had Bpf Bouw hem ook moeten wijzen op de voorwaarden van een schriftelijk verzoek binnen negen maanden na de beëindiging van de verplichte deelneming. In de “stopbrief” die Bpf Bouw aan B stuurde na beëindiging van de deelneming stond dit onvoldoende. Er werd in deze brief niet gewezen op de termijn van negen maanden. Die was slechts opgenomen in een door B te downloaden brochure over arbeidsongeschiktheid.

De rechter vindt dat door het niet nakomen van de informatieverplichting met betrekking tot de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de aanvullingsregeling 55min, Bpf Bouw zich jegens B niet kan beroepen op de overschrijding van de negenmaandentermijn. Hiervoor is volgens de rechter bepalend dat

  1. Bpf Bouw door de genoemde niet-nakoming B de kans heeft onthouden zelf een vervangende voorziening te treffen voor de beëindigde verplichte deelneming aan de aanvullingsregeling 55min, in het bijzonder door gebruik te maken van de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting daarvan;
  2. Bpf Bouw zou B hebben toegestaan de deelneming aan de aanvullingsregeling 55min vrijwillig voort te zetten als deze daarom binnen de voor hem geldende termijn zou hebben verzocht;
  3. De beëindiging van de aanvullingsregeling 55min zónder vrijwillige voortzetting daarvan draconische gevolgen heeft voor de pensioenopbouw van B, aangezien hij in dat geval geen recht heeft op een voorwaardelijk pensioen op grond van de aanvullingsregeling 55min en zijn te bereiken ouderdomspensioen voor meer dan de helft zou worden verlaagd. Terwijl B dit met een vrijwillige voortzetting voor de duur van nauwelijks meer dan een half jaar (tot aan het bereiken van de 60-jarige leeftijd) had kunnen voorkomen.

 

De rechter oordeelt dat B alsnog een beroep kan doen op de vrijwillige voortzetting van de 55min regeling. Hij moet hiervoor dan wel vanaf 16 januari 2012 (einde verplichte deelneming) premies voldoen aan Bpf Bouw.

Commentaar

Wel sneu voor B. Bij de invoering van de Wet VUT, Prepensioen en Levensloop was hij net twee jaar te jong om onder het overgangsrecht te vallen. En door zijn arbeidsongeschiktheid zou ook het voorwaardelijk aanvullend pensioen vervallen. Gelukkig voor B stak de rechter voor dat laatste een stokje.

In het Sociaal Akkoord 2004 zijn werkgevers en werknemers overeengekomen om werknemers die niet aan in aanmerking komen voor voortzetting van hun vroegpensioenregeling op een andere manier te compenseren. Volgens dit Akkoord kan dat door voor die werknemers (jonger dan 55 jaar op 1 januari 2005)) inhaalpensioen toe te zeggen. Een onvoorwaardelijke toezegging van een inhaalpensioen moet door een werkgever direct afgefinancierd worden. Om deze directe financiering te voorkomen werd het inhaalpensioen voorwaardelijk toegezegd. Slechts voor zover dit pensioen was afgefinancierd, werd het onvoorwaardelijk. Werkgevers kregen 15 jaar de tijd om het voorwaardelijk inhaalpensioen af te financieren. Sommige werkgevers financieren jaarlijks een deel van het inhaalpensioen. Andere wachten met de affinanciering tot het einde van de 15 jarentermijn of op eerdere pensioendatum. Met name in dat laatste geval zijn de gevolgen voor de deelnemers groot bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of pensionering. Het voorwaardelijk pensioen vervalt dan.

Wij vinden het terecht dat gezien dit grote belang de rechter het pensioenfonds verplicht om deelnemers hierover uitdrukkelijk te informeren. En bij die informatie hoort ook dat het pensioenfonds de deelnemer erop wijst dat het vervallen van deze rechten kan worden voorkomen door vrijwillige voortzetting van de deelneming. En wat de voorwaarden voor een dergelijke vrijwillige voortzetting zijn.

B zal zeker niet de enige zijn die te laat een beroep op deze regeling heeft gedaan. Wij nemen aan dat deelnemers die zijn afgewezen vanwege het verstrijken van de negenmaandentermijn met deze uitspraak alsnog een beroep bij Bpf Bouw op deze regeling kunnen doen.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 8 mei 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 juni 2018