Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Informatieverstrekking over kosten beleggingsverzekering onvoldoende?

4 maart 2019

Een echtpaar sloot een drietal beleggingsverzekeringen. Volgens het echtpaar heeft de verzekeraar hen onterecht niet geïnformeerd over de kosten. De rechter wijst de schadevergoedingseis niet toe.

Onvoldoende informatie over kosten beleggingsverzekeringen

Een echtpaar (E) sloot in de periode 1988-1998 een drietal beleggingsverzekeringen. Verzekeringen 1 en 2 waren kapitaalverzekeringen die gekoppeld waren aan de hypotheek. Beide verzekeringen waren een ‘Safe Rendement Plan’. Na afloop van de verzekeringen keerden de verzekeringen respectievelijk € 46.000 en € 26.000 uit. Verzekering 3 is een lijfrente-beleggingsverzekering met een garantiekapitaal. Het kapitaal bij leven op de einddatum is gegarandeerd voor zover gedurende tien jaar voor de einddatum wordt deelgenomen aan fondsen met een garantiebepaling. De waarde van deze verzekering is ten tijde van het geschil voor de rechtbank € 80.000. In de drie verzekeringen is premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en een uitkering bij overlijden voor de einddatum meeverzekerd.

Eén van de partners was in loondienst bij de verzekeraar. E werd bij het sluiten van de beleggingsverzekeringen geadviseerd door een personeelsadviseur die eveneens in dienst was bij de verzekeraar. E vindt dat de verzekeraar hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de significante afslag van de risicopremies en kosten op de betaalde premies. Daardoor is er veel minder geld belegd dan hij dacht. Hierdoor is de kans op aflossing van de hypotheekschuld en het verkrijgen van een pensioenuitkering veel kleiner dan voorgespiegeld, aldus E. E eist een vergoeding van de verzekeraar.

Nadat de rechtbank deze eis afwijst gaat E in hoger beroep en vermeerdert de eis. E eist van verzekeraar € 104.802. Voor de nog lopende verzekering eist E dat de verzekeraar het verschil vergoedt tussen de betaalde premie en de belegde premie.

Hof: verzekeraar hoefde kosten niet afzonderlijk te vermelden

E en de verzekeraar zijn het er over eens dat noch in de documentatie, noch in de beleggingspolissen stond dat eerste kosten, risicopremie en premie voor de arbeidsongeschiktheidsdekking onttrokken zouden worden aan de betaalde premies. En dat slechts het resterende bedrag zou worden belegd in de verschillende fondsen. Evenmin verschillen E en de verzekeraar van mening over dat, toen de verzekeringen werden gesloten, de verzekeraar niet verplicht was om inzicht te geven in (de hoogte) van de kosten in de premies.

E vindt echter dat de verzekeraar verder had moeten gaan dan wat hem volgens wet- en regelgeving is opgelegd. De verzekeraar had ook moeten bezien of zij voldeed aan haar zorgplicht. E vindt dat de verzekeraar voldoende en juiste informatie moet verschaffen om te voorkomen dat E nadelige beslissingen zou nemen door gebrekkig inzicht of lichtvaardigheid bij besluitvorming. Daarbij hoort volgens E het geven van inzicht in de kosten en de hoogte van de spaarpremie waarmee belegd wordt.

Het hof is het daarmee niet eens en volgt de verzekeraar in haar stelling dat de heersende rechtsopvattingen ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen (1988-1998) niet meebrachten dat zij E had moeten informeren over het inhouden van de risicopremie en kosten op de te betalen premie. De gedragscode voor verzekeraars die in samenwerking met de Consumentenbond werd opgesteld en in 1998 in werking trad en andere regelgeving (Riav 1998) verplichtte de verzekeraar tot afzonderlijke vermelding van de kosten. Het hof leidt daaruit af dat op grond van algemene opvattingen in het maatschappelijk verkeer nog geen verplichting bestond om verzekeringnemers inzicht te geven in de kosten en risicopremie wanneer – zoals in deze situatie - voorbeeldkapitalen zijn getoond aan E waarin rekening is gehouden met alle kosten en premies.

In tegenstelling tot wat E stelt, hoeft de verzekeraar volgens het hof niet meer informatie of waarschuwingen te verstrekken dan voortvloeit uit de destijds geldende regelgeving. Daarbij speelt voor het hof een belangrijke rol dat de verzekeringen van E een duidelijke verzekeringscomponent kenden met een gegarandeerde minimumuitkering bij overlijden en bij leven.

E voerde nog aan dat de verzekeraar een verregaande zorgplicht had doordat haar medewerkers deze producten aan E hadden geadviseerd. Ook daarmee maakte het hof korte metten. E wist of had moeten weten dat deze adviseurs geen ongebonden adviseurs waren die voor hem hadden moeten uitzoeken of er bij andere verzekeraars producten waren met dezelfde zekerheid en uitzicht op een beter beleggingsresultaat.

Commentaar

Er is veel te doen geweest over beleggingsverzekeringen. In diverse rechtszaken concludeerde de rechter dat er te hoge kosten waren berekend. De stichting Woekerpolis Claim en stichting Verliespolis hebben in 2008 met verschillende verzekeraars compensatieakkoorden gesloten. In de compensatieregelingen zijn voor beleggingsverzekeringen maximale kostenpercentages per jaar afgesproken. Als er meer kosten ingehouden zijn dan wat is afgesproken in de compensatieregelingen, kregen de verzekeringnemers een vergoeding. Ook E heeft een dergelijke vergoeding gekregen.

E wilde kennelijk meer en stelde dat de verzekeraar niet had voldaan aan zijn zorgplicht. Het lukte E echter niet het hof ervan overtuigen dat de verzekeraar meer informatie of waarschuwingen had moeten verstrekken dan voortvloeit uit de destijds geldende regelgeving. En dat is opmerkelijk, omdat na de uitspraak van het Hof van Justitie Europese Unie, 29-04-2015 de verantwoordelijkheid van de verzekeraar verder gaat dan het exact uitvoeren van de regels van de toen geldende wetgeving. Deze uitspraak van het Europese hof is in latere rechtszaken (onder andere: Commissie van Beroep, 22-06-2017 en Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 02-05-2017) steeds aangehaald, maar hier niet. Dat kan te maken hebben met het feit dat hier sprake was van een onder voorwaarden gegarandeerde uitkering bij in leven zijn op de einddatum.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 maart 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, publicatiedatum 14 februari 2019