Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Informatieverstrekking: zorgplicht adviseur of uitvoerder?

20 september 2019

X heeft een kapitaalverzekering in box 3 bestemd voor aflossing van zijn hypothecair krediet. X was niet geïnformeerd door zijn bank dat hij tot 1 april 2013 de tijd had deze kapitaalverzekering om te zetten in een kapitaalverzekering eigen woning. Om die reden stelt X dat de bank in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Geschillencommissie Financiele Dienstverlening denkt daar anders over, omdat X een financieel adviseur heeft.

Bij wie ligt de zorgplicht?

X meent dat de Rabobank (hierna: de Bank) als rechtsopvolger van de Frieslandbank haar zorgplicht heeft verzaakt door X geen informatie te verstrekken over de fiscale wijziging inzake de kapitaalverzekering eigen woning (hierna: KEW). De bank geeft aan dat er een bemiddelaar op het aanvraagformulier staat en dat deze bemiddelaar informatie over de fiscale wijziging met betrekking tot de KEW had moeten verstrekken.

Kapitaalverzekering aanmerken als KEW?

Vanaf 1 januari 2001 was het mogelijk de kapitaalverzekering die was bedoeld voor de aflossing van het hypothecair krediet aan te merken als KEW. Dit heeft als voordeel dat op de verzekering fiscaal vriendelijk kan worden gespaard voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Tijdens de opbouwfase behoort het binnen de KEW opgebouwd vermogen niet tot het in box 3 te belasten voordeel uit sparen en beleggen. Door de invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning (hierna Wet herziening) per 1 januari 2013 is het KEW regime voor na 31 december 2012 afgesloten kapitaalverzekeringen vervallen. Op 31 december 2012 bestaande kapitaalverzekeringen konden nog tot 1 april 2013 worden aangemerkt als KEW. Daarna is het wettelijk niet meer toegestaan. De verzekering van X is niet bij de aanvraag en ook daarna niet aangemerkt als KEW.

Wezenlijke wijziging informatie

In artikel 4:20 lid 1 Wet financieel toezicht (hierna Wft) staat dat de financiële dienstverlener voorafgaand aan de overeenkomst informatie moet verstrekken, die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van het product. In lid 3 van artikel 4:20 Wft staat dat de consument, op de hoogte moet worden gebracht van wezenlijke wijzigingen in de informatie die verstrekt is vóór het aangaan van de overeenkomst. De Commissie geeft aan dat de invoering van de Wet herziening een “wezenlijke wijziging” vormt in de zin van artikel 4:20 lid 3 Wft. Dit betekent dat de fiscale wetswijziging dus iets is waarover X geïnformeerd had moeten worden.

Wie moet informeren?

De vraag die overblijft, is of de bank X had moeten informeren over deze wezenlijke wijziging van informatie. De Commissie verwijst hier naar artikel 4:21 Wft. Dit artikel luidt als volgt:

Indien een financiële dienstverlener een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar, (…) wordt de informatie, bedoeld in artikel 4:20, eerste en derde lid, verstrekt door deze bemiddelaar, tenzij de desbetreffende financiële onderneming en de bemiddelaar (…), zijn overeengekomen dat de financiële onderneming zelf aan artikel 4:20, eerste en derde lid, voldoet.”

De hoofdregel komt erop neer dat indien de Bank een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar, de informatie bedoeld in artikel 4:20, eerste en derde lid, verstrekt wordt door deze bemiddelaar. De ‘tenzij-bepaling’ maakt het mogelijk dat de Bank en de bemiddelaar kunnen afspreken dat de Bank de informatieplicht op zich neemt. In deze zaak is daar volgens de Commissie geen sprake van. De Bank geeft aan dat uit de verzekeringsaanvraag blijkt dat de Adviseur de bemiddelaar was. X meent dat de Adviseur een gewone hypotheekadviseur van de bank was. De Bank ontkent dat. De Commissie zegt dat de bemiddelaar dan een vertegenwoordiger was van Frieslandbank Assurantiën en dat de Bank van die organisatie geen rechtsopvolger is. De Commissie komt tot de conclusie dat zowel X als de Bank het erover eens zijn dat er een bemiddelaar was, maar dat ze het niet eens zijn over wie de bemiddelaar dan is. In beide gevallen moet de bemiddelaar zorgen voor wezenlijke informatie.

Privaatrechtelijke en Publiekrechtelijke zorgplicht

X meent dat er naast de informatieplicht die uit artikel 4:20 en 4:21 Wft voortvloeit, ook een privaatrechtelijke zorgplicht is op grond waarvan de Bank gehouden is om X te informeren over wezenlijke wijzigingen. X verwijst in dat verband naar artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden 2009. De Commissie geeft aan dat het bij aansprakelijkheid wegens een zorgplichtschending juist gaat om de privaatrechtelijke zorgplicht, maar dat deze wordt ingekleurd door publiekrechtelijke normstellingen, zoals artikel 4:20 en 4:21 Wft. En hoewel de privaatrechtelijke zorgplicht verder kan gaan dan publiekrechtelijke normstellingen, ziet de Commissie geen aanleiding om een informatieverplichting aan te nemen die verder gaat dan waartoe de rechtsvoorganger van de Bank in dit geval op grond van artikel 4:20 en 4:21 Wft gehouden was.

Commentaar

Het is X bij de Commissie niet gelukt om het schenden van de zorgplicht van de (rechtsvoorganger) van de Rabobank te bewijzen. Of het nu gaat om een ongebonden bemiddelaar (de Adviseur) of een hypotheekadviseur van Frieslandbank Assurantiën, er is een bemiddelaar en daarom kan de Bank en haar rechtsvoorganger niets worden verweten. Deze bemiddelaar is niet overgenomen door de Rabobank, maar door Achmea. Het is jammer voor X dat hij de informatie nooit heeft ontvangen. Misschien dat de uitkomst anders zou zijn geweest als X niet de Rabobank, maar Achmea had aangesproken over het verzaken van de zorgplicht.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Geschillencommissie Financiele Dienstverlening, 23 juli 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 september 2019