Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Instemming OR is belangrijke aanwijzing zwaarwichtig belang maar niet doorslaggevend

Instemming OR is belangrijke aanwijzing zwaarwichtig belang maar niet doorslaggevend

31 maart 2020

Een werkgever wijzigt eindloonregeling met beroep op zwaarwichtig belang eenzijdig in middelloonregeling en voert werknemersbijdrage van 5% van de pensioengrondslag in. Van eindloon naar middelloon wel gerechtvaardigd door zwaarwegend belang, invoeren eigen bijdrage werknemers niet. Ondanks feit dat OR akkoord was.

Uitvoeringsovereenkomst eindloonregeling opgezegd en niet verlengd

De heer X was al op 1 januari 2001 in dienst bij Y B.V. Hij had een pensioenovereenkomst op basis van een eindloonregeling. Er was geen eigen bijdrage in de premie voor X; de kosten waren volledig voor rekening van Y. Deze regeling was voor nieuwe toetreders gesloten per 1 januari 2001. Voor nieuwe deelnemers is er vanaf die datum een beschikbare premieregeling. In 2017 zaten er 9 actieve deelnemers in de eindloonregeling en 90 in de beschikbare premieregeling.

Y had voor de uitvoering van de eindloonregeling een uitvoeringsovereenkomst afgesloten met een pensioenverzekeraar. Deze liep af op 31 december 2017. De verzekeraar zegde de uitvoeringsovereenkomst op per 1 januari 2018 en gaf daarbij aan dat het niet meer mogelijk was om eindloonregelingen bij haar onder te brengen. X kon nog kiezen uit een middelloonregeling of een beschikbare premieregeling. 

Uit een onderzoek van een actuarieel adviesbureau bleek dat de kosten voor de eindloonregeling in de afgelopen contractperiode, met name voor de 9 deelnemers in de eindloonregeling met 50% waren gestegen en inmiddels meer dan helft bedroegen van de totale kosten voor de beschikbare premieregeling met 90 deelnemers (€ 90.000 voor de eindloonregeling en € 160.000 voor de beschikbare premieregeling).  Y besloot in 2017 dat dit geen houdbare situatie was en stelde daarom voor om de eindloonregeling per 1 januari 2018 om te zetten in een middelloonregeling, waarbij de desbetreffende deelnemers een compensatie kregen op basis van actuariële berekeningen. Daarnaast wil Y per 1 januari 2018 ook voor deze groep een werknemersbijdrage invoeren van 5% van de pensioengrondslag, zoals die ook al voor de deelnemers in de beschikbare premieregeling gold.
De OR gaat akkoord met dit voorstel onder voorwaarde dat voor de 9 deelnemers in de eindloonregeling gesprekken zullen plaatsvinden waarbij voor hen wordt berekend en uitgezocht wat voor consequenties deze verandering voor hen zal hebben.

Y stuurt vervolgens in januari 2018 de actieve deelnemers in de eindloonregeling een brief met de wijzigingen. Vervolgens stuurt Y iedere medewerker een individuele berekening over de (gevolgen van de) wijzigingen. Voor zover een medewerker - op basis van deze berekeningen - te maken krijgt met een achteruitgang op de pensioendatum, is in de individuele berekening het bedrag opgenomen dat aan de desbetreffende medewerker maandelijks als compensatie zal worden uitgekeerd over het nog resterende maximaal aantal dienstmaanden.

X protesteert zonder succes tegen de wijziging van zijn pensioenregeling en stapt naar de kantonrechter.

Kantonrechter: wel zwaarwegend belang bij wijziging van eindloon naar middelloon, niet voor invoeren eigen bijdrage

De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat Y onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid heeft om de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen. Uitgangspunt daarbij is dat Y die bevoegdheid alleen toekomt indien Y bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van X dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Deze zwaarwegende reden moet objectief bepaalbaar zijn. Er moet zich volgens de kantonrechter een objectieve omstandigheid voordoen op grond waarvan van Y in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij de geldende arbeidsovereenkomst onverkort blijft toepassen. Onder verwijzing naar HR 29 november 2019 geeft de kantonrechter aan dat het voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede wordt bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemers die daar tegenover staan.

Vervolgens behandelt de kantonrechter de twee eenzijdig doorgevoerde wijzigingen afzonderlijk. 

Omzetting van eindloon naar middelloon

De eerste wijziging betreft de omzetting van de eindloonregeling in de middelloonregeling. Y rechtvaardigt deze wijziging met het argument dat:

  • De pensioenverzekeraar met ingang van 1 januari 2018 geen eindloonregelingen meer aanbiedt;
  • Ook andere verzekeraars niet langer eindloonregelingen aanbieden;
  • Y bij ongewijzigde continuering van de pensioenovereenkomst met X in strijd zou handelen met de onderbrengingsplicht van artikel 23 PW en daardoor geconfronteerd kan worden met boetes tot € 1 miljoen;
  • Aan X een gegarandeerde middelloonregeling is aangeboden;
  • Aan X compensatie is aangeboden teneinde het verwachte verschil tussen de eindloonregeling en de aangeboden middelloonregeling te compenseren buiten de pensioensfeer.

 

De instemming van de OR levert naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing op dat van een zwaarwichtig belang sprake is. De instemming vormt bovendien een zwaarwichtig gezichtspunt bij de beoordeling van de redelijkheid van de wijziging. Dat neemt volgens de kantonrechter echter niet weg dat op Y de bewijslast rust dat haar belang zodanig zwaarwichtig is dat het belang van X daarvoor moet wijken. Daarin slaagt Y volgens de kantonrechter voor wat betreft de wijziging van eindloon naar middelloon. Y deed bij drie grote Nederlandse pensioenverzekeraars navraag over de mogelijkheden om een eindloonregeling te verzekeren. Die bleken er niet te zijn. Daarmee is volgens de kantonrechter de objectieve omstandigheid op grond waarvan van Y in redelijkheid niet kan worden gevraagd dat de pensioenopbouw op basis van eindloon plaatsvindt, gegeven. 

Hierdoor en in combinatie met de aan X aangeboden middelloonregeling en de compensatie, kan de door Y gegeven rechtvaardiging naar het oordeel van de kantonrechter als zodanig zwaarwegend worden gekwalificeerd dat het individuele belang van X ten aanzien van de omzetting van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de noodzaak van de wijziging van de op eindloon gebaseerd pensioenovereenkomst voldoende is gebleken en dat de wijziging naar de aangeboden middelloonregeling, mede omdat sprake is van een passend alternatief, op gronden van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd is. Het individuele belang van X moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wijken voor het zwaarwichtige belang van Y.

De kantonrechter wijst de vordering van X op dit punt dan ook af.

Invoeren eigen bijdrage

Het tweede punt waar de kantonrechter over oordeelde, was de invoering van een eigen bijdrage voor de werknemers van 5% van hun pensioengrondslag. Y rechtvaardigde de eenzijdige wijziging met het argument dat de werknemersbijdrage bijdraagt aan:

  • Een op lange termijn financieel houdbare pensioenregeling van X;
  • Beheersbare en voorspelbare kosten van de pensioenregeling;
  • Het voorkomen van een significant verdere stijging van de pensioenlasten;
  • Het tegengaan van negatieve bedrijfsresultaten van Y;
  • Ruimte voor toekomstige salarisverhogingen van X;
  • Solidariteit en gelijke behandeling van alle werknemers en het voorkomen van arbeidsonrust en onvrede op de werkvloer: de overige circa 90 werknemers van Y hebben een aanmerkelijk soberder pensioenregeling (premieovereenkomst), zij betalen wel een eigen bijdrage voor pensioen en zij dragen bij in de kosten van de pensioenregeling van X.

 

Daarnaast voerde Y aan dat de OR ook instemde met de invoering van de eigen bijdrage, dat de invoering van de werknemersbijdrage past in een brede maatschappelijke ontwikkeling, dat de hoogte van 5% marktconform is en zorgt voor een zekere mate van harmonisering van de arbeidsvoorwaarden, alsmede dat Y besloot om voor de jaren 2020 en 2021 geen eigen bijdrage aan X in rekening te brengen.

De kantonrechter concludeert dat de instemming van de OR een aanwijzing oplevert dat sprake is van een zwaarwichtig belang en een zwaarwegend gezichtspunt vormt bij de beoordeling van de redelijkheid van de onderhavige wijziging. Daarmee staat volgens de kantonrechter echter nog niet vast dat het belang van Y bij de wijziging dient te prevaleren boven het belang van X. Daarvoor is meer nodig, aldus de kantonrechter.
En in dit geval overtuigen de overwegingen van Y om een werknemersbijdrage voor X in te voeren de kantonrechter niet. De stellingen van Y leveren volgens de kantonrechter – wat daar ook van zij – geen (zwaarwegende) reden op om inbreuk te maken op de arbeidsvoorwaarden van X.
Y heeft niet of onvoldoende aangetoond dat de pensioenkosten voor haar zonder de invoering van de eigen bijdrage voor X zodanig zullen stijgen, dat daardoor (op langere termijn) de continuïteit van het pensioen van alle werknemers in gevaar dreigt te komen of dat zij de pensioenkosten met betrekking tot X niet langer kan dragen.  

De kantonrechter concludeert dan ook dat de invoering van de werknemersbijdrage voor X niet is gerechtvaardigd. De noodzaak van wijziging van de pensioenovereenkomst van X op dit punt is niet, althans onvoldoende, gebleken. Het belang van Y bij de invoering van de werknemersbijdrage voor X, afgezet tegen het belang van X bij ongewijzigde instandhouding van een pensioenregeling zonder werknemersbijdrage, is niet zodanig zwaarwichtig, dat het belang van X, van wie een loonoffer wordt verlangd, op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van Y. De vordering van X op dit punt wijst de kantonrechter toe.

Commentaar

Het eenzijdig wijzigen van een pensioenovereenkomst is door de Corona-crisis actueler dan ooit. Werkgevers die door de crisis in financiële problemen raken, zullen wellicht ook naar (de kosten van) de pensioenregeling kijken. En de pensioenregeling eenzijdig willen wijzigen. 
Voor een eenzijdige wijziging is een zwaarwegend belang nodig. Instemming van de OR is een belangrijke aanwijzing in die richting, maar levert niet automatisch een zwaarwegend belang op. Er blijft – ook bij instemming van de OR – altijd sprake van een belangenafweging tussen werkgever en werknemer. Deze uitspraak laat heel mooi zien dat die de ene keer in het voordeel van de werkgever uitvalt en de andere keer in het voordeel van de werknemer. Ook al was in beide gevallen sprake van instemming van de OR.

Opvallend is overigens dat X er kennelijk van uitging dat een middelloonregeling per definitie slechter is dan een eindloonregeling. Dat kan je in zijn algemeenheid niet zo stellen. Dat hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. Een middelloonregeling mag fiscaal een hoger opbouwpercentage per dienstjaar (1,875) hanteren dan een eindloonregeling (1,657). Deze percentages zijn zodanig gekozen dat bij een normale salarisontwikkeling het pensioenresultaat op de pensioeningangsdatum hetzelfde is (75% van het gemiddelde pensioengevend salaris, na 40 jaar opbouw en ingaande op 68). Bij een salarisontwikkeling die steiler is dan de normale ontwikkeling, levert een eindloonregeling meer pensioen op. Bij een vlakkere ontwikkeling dan normaal, is de middelloonregeling aantrekkelijker.

In ieder geval geeft deze uitspraak goed aan dat er geen afvinklijstje bestaat om te bepalen of sprake is van een zwaarwegend belang. Instemming van de OR is een belangrijke aanwijzing daartoe, maar niet alles bepalend. En, zoals bij elke afweging, kan deze in verschillende omstandigheden anders uitvallen. Zie voor een geval waarin het eenzijdig invoeren van een werknemersbijdrage wel werd toegestaan ons nieuwsbericht van 7 februari 2020.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis  

Bron: Rechtbank Gelderland, 13 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1608

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 maart 2020.