Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Intentie speelt geen rol bij rvu-vraag

15 december 2016

Het enkele feit dat de ontslagvergoeding hoger is naarmate er meer dienstjaren zijn, betekent niet dat een vrijwillige vertrekregeling een regeling voor vervroegde uittreding (rvu) is. Dit constateerde de Rechtbank Noord Holland. 

Protocol voor afbouw boventallige werknemers

Luchtvaartmaatschappij X houdt zich bezig met vrachtvervoer. Begin 2014 werken er 265 piloten bij X. Ongeveer 10% van de piloten is op dat moment boventallig. Samen met de vakbond stelt X een protocol op waardoor de boventalligheid kan worden afgebouwd. Het protocol resulteert in het vrijwillige vertrek en de detachering van veertien piloten. Elf piloten maken gebruiken van de mogelijkheid tot vervroegde uittreding. Zij krijgen daarvoor een vergoeding waarvoor X de kantonrechtersformule hanteert.

In geschil is of de regeling kwalificeert als rvu. Als dat het geval is, dan wordt het loon als eindheffingsbestanddeel belast naar het 'straftarief' van 52%. Volgens de Inspecteur is dat het geval, maar Rechtbank Noord-Holland geeft hem geen gelijk.

Geen regeling voor vervroegde uittreding

Volgens de rechtbank spelen de beweegredenen van de werkgever geen rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rvu. Voor een rvu gaat het erom of de uitkeringen bedoeld zijn ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (ex-)werknemer tot de pensioendatum. Dat is in deze zaak niet het geval, aldus de rechtbank. De regeling was namelijk onderdeel van een samenhangend pakket om de boventalligheid af te bouwen. De deelname was vrijwillig en stond open voor alle leeftijden. Het maakt niet uit wie uiteindelijk van de regeling gebruik maakte. De intenties van de werkgever en de werknemers zijn ook niet relevant. Het enkele feit dat de vergoeding hoger is naarmate er meer dienstjaren zijn, heeft niet tot gevolg dat de regeling is bedoeld om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van Hoge Raad op 15 juni 2012. De rechtbank oordeelt dat de regeling geen regeling voor vervroegde uittreding is, gelet op de algemene kenmerken.

Commentaar

Vrijwillige vertrekregelingen en rvu zijn regelmatig onderwerp van discussie tussen belastinginspecteurs en werkgevers. En regelmatig wordt de bedoeling van partijen gebruikt als argument om de rechter te overtuigen. Deze uitspraak en eerdere uitspraken, laten zien dat de rechter zich bij het rvu-vraagstuk baseert op de feiten en omstandigheden en niet op de intentie van één van de partijen. In mei 2016 constateerde de Hoge Raad al dat de beweegredenen van de werkgever geen rol spelen bij de vraag of er sprake is van een rvu. U leest daarover meer in ons nieuwsbericht van 19 mei 2016.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Rechtbank Noord Holland, 18 november 2016

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 december 2016.