Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Intentieverklaring levensloop is geen overeenkomst

21 december 2018

Een werknemer geeft aan dat hij de intentie heeft om met ingang van 1 juli met onbetaald verlof te gaan en in die periode zijn levenslooptegoed op te nemen. Zijn werkgever vindt dat hij niet kan terugkomen op dit voornemen en houdt hem eraan. Wat vindt de rechter?

Intentieverklaring

De heer X, geboren op 17 juni 1954, is vanaf 1 juli 1999 in loondienst bij Administratiekantoor A. Zijn maandsalaris bedraagt ongeveer € 3.000. X neemt vanaf 2006 deel aan de levensloopregeling. A houdt maandelijks € 420 in op het salaris van X en stort dat bedrag op de levenslooprekening van X.

A vraagt X begin 2018 wat zijn voornemen is met betrekking tot zijn levenslooptegoed. In het e-mail bericht van 19 januari 2018 meldt X hierover het volgende:

“Beste A,

Geef hierdoor kennis van mijn voornemen om per 1 juli 2018 gebruik te maken van de levensloopregeling”.

X heeft ruim een jaar mantelzorg aan zijn echtgenote verleend. Per 4 april 2018 treedt voor X een verandering op in zijn leven. Zijn echtgenote wordt permanent opgenomen in een zorginstelling. X en A krijgen in 2018 een geschil over verrekening van minder gewerkte uren door X. Dit geschil escaleert. Op 28 juni deelt A mee dat X niet meer welkom is en verleent A aan X één dag onbetaald verlof. Via een e-mail bericht van 29 juni 2018 vordert X van A betaling van zijn salaris van juni en biedt hij zijn arbeid aan.

Op 9 juli deelt A mee dat X niet meer kan terugkomen op de aanvraag van de levensloop die per 1 juli 2018 is ingegaan.

 

X eist werkhervatting en loondoorbetaling

Partijen starten mediation maar dat biedt geen oplossing. Waarna X een kortgeding aanspant tegen A. Hij betwist dat hij met A begin januari 2018 een overeenkomst heeft gesloten die inhoudt hij per 1 juli 2018 gebruik zal maken van de levensloopregeling. Volgens X heeft hij A slechts mede gedeeld dat hij het voornemen had om per 1 juli 2018 gebruik te maken van de levensloopregeling. Omdat de levensloopregeling niet per 1 juli 2018 is ingegaan, heeft X recht op werkhervatting en doorbetaling van zijn loon per 1 juli 2018. Hij heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij geen inkomsten ontvangt en daardoor in betalingsproblemen komt.

Volgens A heeft X altijd laten weten dat hij zijn levenslooptegoed wilde aanwenden voor eerder pensioen. Aanvankelijk zou dat met 62 jaar kunnen, maar op dat moment verschoof de AOW datum. In december 2017 liet X weten dat hij per 1 juli 2018 met levensloop wilde, omdat hij in juni 64 jaar zou worden en dan drie jaar voor zijn pensioen zat. A heeft aangegeven daarmee akkoord te gaan. Partijen hebben ook meermalen bij elkaar gezeten om te bespreken welke werkzaamheden X tot 1 juli 2018 kon doen. A heeft aan meerdere klanten laten weten dat X alleen nog 2017 voor hen zou verzorgen. Klanten hebben dan ook afscheid van X genomen. Gezien het conflict met X is A al een bodemprocedure gestart om de opname van onbetaald verlof door X af te dwingen. Gezien deze omstandigheden wijst A de tewerkstelling en de loonvordering van X af.

 

Levensloopregeling is niet ingegaan

Deze uitspraak bevat niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Omdat het gaat om een loonvordering acht de rechter de spoedeisendheid van de zaak voldoende aannemelijk voor een kort geding.

De rechter constateert dat partijen het erover eens zijn dat X zijn levensloopregeling wilde aanwenden om eerder met pensioen te gaan. Kern van het geschil is of partijen zijn overeengekomen dat X per 1 juli 2018 gebruik maakt van de vervroegde pensionering door middel van de levensloopregeling. De rechter stelt dat de vraag of een partij gebonden is aan een intentieverklaring volgens de Hoge Raad afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Volgens de rechter kan op grond van de stukken en wat ter zitting door partijen naar voren is gebracht, niet worden vastgesteld dat het verder is gekomen dan een intentie. Door X noch door A is uitvoering gegeven aan wat noodzakelijk is voor het laten ingaan van een levensloopregeling, zoals het indienen van een gezamenlijke aanvraag bij de uitvoerder van de levensloopregeling; de Rabobank. Mede gelet op de in 2018 opgetreden verandering in de privésfeer van X, is het niet onbegrijpelijk dat X (nog) geen gebruik wil maken van de levensloopregeling. Er is dus slechts sprake van een door X uitgesproken intentie om gebruik te maken van de levensloopregeling. Volgens de rechter betekent dit dat vooralsnog onvoldoende grond bestaat te oordelen dat partijen overeenstemming hebben bereikt voor het laten ingaan van de levensloopregeling van X per 1 juli 2018.

Volgens de rechter zijn er geen concrete aanwijzingen dat terugkeer van X op zijn werk niet meer mogelijk zou zijn. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering tot toelating tot het werk toewijst. En omdat X zich steeds beschikbaar heeft gehouden zijn werkzaamheden te verrichten, heeft hij jegens A aanspraak op betaling van het loon. De vordering van X tot betaling van het loon vanaf juli 2018 tot en met november 2018 wijst der rechter daarom toe. De vordering om het salaris te blijven voldoen tot de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, zal worden afgewezen. Er kunnen zich immers in de toekomst nog nieuwe omstandigheden voordoen die aan (volledige) verschuldigdheid van het loon in de weg staan.

 

Commentaar

Het doel van de levensloopregeling was om te sparen voor een uitkering tijdens onbetaald verlof. De levensloopregeling is met ingang van 1 januari 2013 afgeschaft.

Op basis van de overgangsmaatregel kunnen bestaande regelingen onder voorwaarden worden voortgezet. In tegenstelling tot de voorwaarden die golden tot 1 januari 2013 is voor opname van het levenslooptegoed niet langer noodzakelijk dat er tegenover de uitbetaling van levensloopgelden daadwerkelijk onbetaald verlof wordt opgenomen. In de situatie van X en A  is dan ook niet van belang of X aangaf van de levensloopregeling gebruik te willen maken, maar of partijen  overeen zijn gekomen dat X onbetaald verlof zou opnemen.

Volgens de rechter in dit kort geding is het niet voldoende dat de werknemer hier een intentie toe uitspreekt. Pas als daadwerkelijk door partijen is overeenkomen dat de werknemer een periode van onbetaald verlof zal opnemen is hij hieraan gehouden.

Formeel juridisch is een uitspraak in een kort geding een voorlopige beslissing, waarvoor door de rechter vooral gekeken is naar de onmiddellijke belangen van de betrokken partijen en minder naar de juridische finesses van de onderhavige rechtsvraag. Een rechter in een eventueel later te voeren bodemprocedure is niet gebonden aan de uitspraak in kort geding.

De overgangsregeling van de levensloopregeling loopt af op 31 december 2021. Levenslooptegoeden die op die datum nog niet zijn opgenomen vallen dan vrij en worden in 2021 toegevoegd aan het belastbaar loon. Als zodanig is het op 31 december 2021 bestaande levenslooptegoed inkomen uit werk en woning en progressief belast.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Rotterdam, 30 november 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 december 2018.