Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

IOAW geen inkomen uit tegenwoordige arbeid

15 mei 2017

Een IOAW-uitkering is afhankelijk van het verrichten van maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Maar dat brengt niet met zich dat een belastingplichtige deze voor de inkomstenbelasting mag aangeven als inkomen uit tegenwoordige arbeid.

Inkomen uit tegenwoordige of vroegere arbeid?

De heer X genoot in 2012 een IOAW- uitkering (Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers). Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (B&W) die de uitkering betaalde, moest X als tegenprestatie voor de uitkering maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten. In verband hiermee werkte X in 2012 onder meer als conciërge bij een scholengemeenschap, bij het UWV en bij de gemeente.

In zijn aangifte inkomstenbelasting gaf X zijn IOAW-uitkering aan als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Hierdoor claimde hij arbeidskorting en de doorwerkbonus.

De inspecteur corrigeerde de aangifte. Hij merkte de IOW-uitkering aan als inkomen uit vroegere arbeid. Daardoor had X geen recht op de arbeidskorting en de doorwerkbonus.

Rechtbank

De rechter moest beslissen of de IOAW-uitkering inkomen uit tegenwoordige of vroegere arbeid is. Daarbij overwoog de rechter het volgende:

“Voor het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid komt het er in dit verband op aan of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen doch slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid (zie Hoge Raad 31 januari 2014, nr. 12/05642, ECLI:NL:HR:2014:165, r.o. 3.5.2).”

De rechtbank vindt dat de IOAW-uitkering niet ten nauwste verband houdt met de door X verrichte arbeid en dat de uitkering geen rechtstreekse beloning of onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormt. De IOAW-uitkering kan volgens de rechter namelijk niet beschouwd worden als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid omdat X deze onbeloonde arbeid verricht in het kader van sociale activering, dan wel omdat iedere uitkeringsgerechtigde in beginsel de verplichting heeft om 'iets terug te doen' voor de uitkering. De verrichte arbeid is dus geen voorwaarde om het recht de uitkering te verkrijgen. Dat X door B&W tot het verrichten van deze onbeloonde werkzaamheden kan worden verplicht en dat bij niet nakoming van deze verplichting de uitkering (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk op een lager bedrag kan worden vastgesteld, maakt dit niet anders. Er is dus geen sprake van een beloning in ruil voor de verrichte werkzaamheden.

Commentaar

B&W kunnen op grond van IOAW een uitkeringsgerechtigde verplichten om als “tegenprestatie” van de uitkering, onbetaalde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten. Als de uitkeringsgerechtigde dit niet doet kan B&W zijn uitkering IOAW staken of verlagen. Het is in dat kader dan ook niet zo vreemd dat X zijn IOAW uitkering, of een deel daarvan, wilde aanmerken als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Immers door toepassing van de verschillende heffingskortingen wordt inkomen uit tegenwoordige arbeid een stuk lager belast dan inkomen uit vroegere arbeid. Maar de rechter concludeerde dat de IOAW-uitkering niet mag worden gezien als een beloning voor verrichte maatschappelijke werkzaamheden. Maar als het verrichten van werkzaamheden een voorwaarde is voor de IOAW-uitkering is deze grens naar onze mening niet zo scherp als de rechtbank in dit geval oordeelt. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 30 maart 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 mei 2017.