Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Kabinet gaat probleem verminderde pensioenopbouw zwangere ondernemers oplossen. Maar hoe?

22 maart 2018

In antwoord op Kamervragen geven de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën aan dat zij het mogelijk willen maken dat zwangerschaps- en bevallingsverlof fiscaal geen gevolgen hoeft te hebben voor de pensioenopbouw van een zelfstandige in een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling.

Wat is het probleem?

Een zelfstandige beroepsbeoefenaar kan bij zwangerschap te maken krijgen met een verminderde pensioenopbouw. Dit heeft twee mogelijke oorzaken. Ten eerste kan het pensioengevend inkomen door de zwangerschap lager zijn. Ten tweede kan door de zwangerschap het aantal uren dat wordt gewerkt minder worden dan 1.750 per jaar. Dat leidt tot het toepassen van een deeltijdfactor op het fiscaal maximale pensioengevende inkomen van, voor 2018, € 105.075. Dit effect openbaart zich pas drie jaar na de zwangerschap. De grondslag voor de pensioenopbouw bij beroepspensioenregelingen is namelijk het inkomen in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het jaar van opbouw.

De Tweede Kamerleden Roald van der Linde en Helma Lodders van de VVD stelden hierover op de situatie van zwangere huisartsen toegespitste vragen aan minister Koolmees van SZW en staatssecretaris Snel van Financiën.

Antwoord op de Kamervragen

De bewindslieden geven in het antwoord op de Kamervragen aan dat het klopt dat zelfstandigen bij een zwangerschap minder pensioen kunnen opbouwen. Ondernemers zijn voor hun pensioenopbouw in beginsel aangewezen op de derde pijler. Voor zelfstandigen die deelnemen in een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling is - waar mogelijk - voor het fiscale kader aangesloten bij de normeringen en beperkingen voor de fiscale facilitering van het werknemerspensioen (tweede pijler). Doordat het ondernemerschap en werknemerschap naar hun aard verschillen, is dit echter niet altijd mogelijk.

Met betrekking tot perioden van verlof bestaat een verschil in pensioenopbouw. Dit hangt onder meer samen met de omstandigheid dat een ondernemer geen dienstverband heeft en daarom in beginsel ook geen verlof kent. Daarnaast is het inherent aan het ondernemerschap dat de hoogte van het inkomen fluctueert, zonder dat er altijd een directe relatie is met het aantal gewerkte uren.

De bewindslieden geven aan voornemens te zijn te gaan regelen dat er geen fiscale belemmeringen zijn om deze zelfstandige beroepsbeoefenaren binnen de eigen beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling over hetzelfde inkomen te laten opbouwen als vóór de zwangerschap. Om dit mogelijk te maken, is aanpassing van lagere regelgeving nodig. Dit zal in het eindejaarsbesluit 2018 worden meegenomen.

Commentaar

De vraag om pensioenopbouw voor deelnemers aan een beroepspensioenregeling mogelijk te maken tijdens perioden van zwangerschaps- en bevallingsverlof speelt al langer. Met name het pensioenfonds voor huisartsen dringt al enige tijd aan op een oplossing. Met het antwoord op deze Kamervragen lijkt er sprake van een doorbraak. De bewindslieden gaan het oplossen. Alleen is nog niet duidelijk hoe.

Een mogelijkheid is aansluiting te zoeken bij de verlofregelingen voor werknemers. In artikel 10a UBLB 1965 zijn ouderschapsverlof, sabbatsverlof en studieverlof aangemerkt als perioden die meetellen als diensttijd voor de pensioenopbouw.
In de toelichting op de wijziging van het UBLB 1965 van 22 december 2011 staat dat de opsomming in artikel 10a UBLB een niet-limitatieve opsomming is van perioden van verlof die in het kader van de pensioenopbouw in aanmerking mogen worden genomen als dienstjaren dan wel diensttijd. In zoverre kan het onderbreken van de werkzaamheden van een zelfstandige, ongeacht uit welke motieven dat gebeurt, beschouwd worden als een vorm van sabbatsverlof. In zoverre kan een periode van maximaal twaalf maanden als pensioengevende dienstjaren dan wel diensttijd in aanmerking komen. Desgewenst kan nog een beperking worden aangebracht tot de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals die geldt voor werknemers.

In zijn besluit van 24 november 2017 geeft de staatssecretaris van Financiën aan hoe dit praktisch uitwerkt. In paragraaf 3.5 keurt hij goed dat voor perioden van verlof waarin een werknemer geen loon of een lager loon geniet dan voorheen, voor de pensioenopbouw mag worden uitgegaan van het direct voorafgaand aan, of direct na het verlof genoten loon.

Voor de situatie van de deelnemer aan een beroepspensioenregeling die verlof opneemt, kan dit worden vertaald naar het inkomen dat genoten werd direct voorafgaand aan, of direct na het verlof. Praktisch kan dit worden ingevuld door de uit hoofde van het verlof niet gewerkte uren, voor het urencriterium en de winst, te beschouwen als gewerkte uren in dezelfde mate als waarin gewerkt werd direct voorafgaand aan het verlof. Voor het aantal uren als bedoeld in artikel 11c UBIB 2001 kan een soortgelijke ophoging plaatsvinden.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

 

Bron: Antwoord van de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën op Kamervragen over de pensioenopbouw van zwangere huisartsen

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 21 maart 2018.