Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Kamer stelt Koolmees vragen over uitstel invoering Wet toekomst pensioenen

Kamer stelt Koolmees vragen over uitstel invoering Wet toekomst pensioenen

10 juni 2021

Enkele fracties in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid legden een aantal vragen en opmerkingen voor aan minister Koolmees over zijn brief aan de Tweede Kamer van 10 mei 2021 inzake de stand van zaken uitwerking pensioenakkoord.

De Kamerbrief van 10 mei 2021

Minister Koolmees stuurde op 10 mei 2021 een brief aan de Tweede Kamer over de stand van zaken uitwerking pensioenakkoord. Daarin geeft hij aan dat alle inbreng op de consultatieversie zorgvuldig bekeken en gewogen wordt. Gezien de complexe materie en de benodigde afstemming met betrokken partijen als sociale partners, pensioenuitvoerders en toezichthouders kost dit meer tijd dan vooraf ingeschat. Daarom schuift hij de beoogde datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen op naar 1 januari 2023. Zie ons nieuwsbericht van 12 mei 2021.

Tweede Kamer maakt opmerkingen en stelt vragen

De leden van de vaste commissie voor SZW vragen de minister wat de reden is dat het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen later bij de Kamer kan worden ingediend en of dat alleen komt door de vele waardevolle reacties op de internetconsultatie. Was de minister niet in staat een realistische planning te maken, of is hij verrast dat er veel kritiek is op zijn plannen voor een stelselherziening, zo vragen enkele leden zich af.
Verder wil de commissie weten of het klopt dat de planning voor de wetsbehandeling van het pensioenakkoord in zowel de Eerste als de Tweede Kamer nu wordt ingeschat op één jaar.

Daarnaast vraagt de commissie voor welke onderdelen van het nieuwe pensioenstelsel het ‘mogelijk of gewenst’ is dat zij wellicht eerder in werking treden dan 1 januari 2023, zoals Koolmees in zijn brief aangeeft.

De commissie vraagt de minister nader in te gaan op zijn constatering dat de complexe materie en de benodigde afstemming met betrokken partijen meer tijd kost op een aantal onderdelen dan vooraf ingeschat. Hoe vindt die afstemming plaats; op welke onderdelen zijn ze dusdanig complex en vraagt dat om meer tijd en gaat het om een bepaalde wet of om fundamentele voorstellen, wil de commissie weten van de minister.

Tevens vraagt de Kamer zich af of de verlenging van de transitieperiode en het transitie-ftk, op grond waarvan de 90% dekkingsgraad-ondergrens voor kortingen ook nog in 2022 geldt, juridisch voldoende is onderbouwd. Daarnaast wil de commissie inzicht in de generatie-effecten van deze verlengde maatregel.

Enkele leden geven aan het jammer te vinden dat als gevolg van de vertraging ook de wachttijd voor uitzendkrachten later zal worden aangepast en vragen welke mogelijkheden er zijn om deze wetswijziging eerder dan per 1 januari 2023 te regelen.

Enkele leden geven aan zeer veel waarde te hechten aan een goede en zorgvuldige vormgeving van het nabestaandenpensioen. Deze leden krijgen niet het idee dat de minister deze vormgeving serieus genoeg neemt. Nabestaandenpensioen is volgens deze leden een zeer belangrijk onderdeel van het pensioenstelsel en zij hebben de indruk dat het nabestaandenpensioen er voor de minister ‘maar een beetje bijhangt’. Zij vragen de minister hier uitvoerig op te reageren.

Commentaar

De vaste commissie heeft veel vragen. Van meer algemene aard; hoe kan het dat de planning niet wordt gehaald. Maar ook meer specifiek, waarbij het nabestaandenpensioen, de wachttijd voor uitzendkrachten en het transitie-ftk veel aandacht krijgen. De commissie is voor het verlengen van het transitie-ftk zodat pas bij een dekkingsgraad van minder dan 90% sprake is van kortingen. Maar stelt wel de terechte vraag naar de juridische onderbouwing. Basis van het transitie-ftk is artikel 142 Pensioenwet. Op grond van dit artikel kan de minister van SZW in een uitzonderlijke economische situatie bepalen dat een pensioenfonds een langere termijn krijgt om te herstellen van een dekkingstekort. Vraag is hoe uitzonderlijk de economische omstandigheden nog zijn als de minister drie jaar op rij gebruik maakt van deze bevoegdheid.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Inbreng van een schriftelijk overleg; Kamerstukken II, 2021-2022, 32 043, nr. 559.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 juni 2021.