Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Kapitaalverzekering met pensioenclausule en echtscheiding

22 augustus 2019

Het pensioen van een DGA is gedeeltelijk verzekerd door middel van een kapitaalverzekering met pensioenclausule. Na een wijziging van het dienstverband van de DGA wordt de pensioenverzekering voortgezet. De DGA scheidt en trouwt opnieuw. Bij zijn overlijden claimt de nieuwe echtgenote het hele pensioenkapitaal. De rechters verdelen het pensioenkapitaal over de voormalige en huidige echtgenote.

Voortzetting pensioenverzekering

De heer A was directeur en enig aandeelhouder bij A BV. Met ingang van 16 december 1991 zegde A BV aan A pensioen toe. De afspraken over dit pensioen staan in de pensioenovereenkomst van 1 januari 2006. Volgens de pensioenovereenkomst zijn de aanspraken gedeeltelijk verzekerd bij ZL en worden deze gedeeltelijk in eigen beheer gehouden door A BV.

Op 30 mei 2007 eindigt A de dienstbetrekking bij A BV. Een dag later treedt hij in dienst bij A Holding BV (de Holding). A BV en de Holding komen overeen dat de Holding de pensioenverplichting aan A overneemt.

Op 12 juli 2009 scheiden A en zijn echtgenote (X). In het echtscheidingsconvenant komen zij overeen dat de pensioenaanspraken van A zullen worden verevend conform de wettelijke verevening van pensioen. A huwt op 4 september 2009 met B, met wie hij al vanaf 2002 samenwoont.

Op 18 juni 2011 overlijdt A. ZL keert tot 1 januari 2013 pensioen uit aan X en B en vanaf 1 januari 2013 nog alleen pensioen aan X. B vordert van ZL pensioenuitkeringen. B stelt dat zij op de voortgezette pensioenverzekering is aangeduid als begunstigde (echtgenote van A). ZL bestrijdt de vordering van B en roept X als gedaagde in de vrijwaring op.

Begunstiging pensioenverzekering

De rechtbank oordeelt dat de pensioenovereenkomst en verzekeringsovereenkomst na 1 juni 2007 zijn voortgezet. In hoger beroep bestrijdt ZL dit oordeel. Volgens ZL hebben A en de Holding bij haar geen pensioenovereenkomst ter verzekering aangeboden en is er geen nieuwe verzekeringsovereenkomst met de Holding gesloten. Het hof verwijst naar de arbeidsovereenkomst van A en de Holding waarin staat dat de Holding de toegezegde pensioenvoorziening zal overnemen. Dit blijkt ook uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van de Holding en een overeenkomst tussen A BV en de Holding waarbij A BV haar pensioenverplichting aan A overdraagt aan de Holding. Daarbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar de pensioenovereenkomst uit 2006. Het hof is van oordeel dat uit deze stukken afdoende blijkt dat A en de Holding de tussen A en A BV bestaande pensioenovereenkomst hebben voortgezet onder de reeds bestaande en in 2006 tussen A en A BV in de pensioenovereenkomst vastgelegde voorwaarden.

Volgens het hof is de door de Holding overgenomen pensioentoezegging ook na 1 juni 2007 door ZL herverzekerd. Dat blijkt uit de brief van 4 mei 2010 van ZL aan de Holding en aan A. Hierin bevestigt ZL de melding van uitdiensttreding per 30 mei 2007 en het verzoek om de Holding als werkgever aan te tekenen. ZL meldt dat zij na ontvangst van enkele stukken tot verwerking hiervan overgaat.

Ten tijde van het overlijden van A was B zijn partner. B stelt dat zij volgens de tekst van de polis als (enige) begunstigde is aan te merken en dus aanspraak heeft op het volledige kapitaal uit de pensioenverzekering. Volgens de kantonrechter is B niet de begunstigde van het gehele kapitaal maar komt haar slechts een nabestaandenpensioen toe gerelateerd aan de pensioenopbouw na de echtscheiding tussen A en X. Het hof volgt het oordeel van de kantonrechter.

In de verzekeringsovereenkomst staat dat bij overlijden van A, vóór de einddatum van de verzekering, de echtgenoot (dan wel de geregistreerde partner of de ongehuwd samenwonende partner) begunstigde is van het overlijdenskapitaal. Het hof stelt dat nergens uitdrukkelijk in de verzekeringsovereenkomst staat dat met ‘de pensioengerechtigde partner’ of ‘de echtgenoot’ wordt gedoeld op de partner of echtgenoot ten tijde van het overlijden van de verzekerde. Volgens het hof dient de tekst van de verzekeringsovereenkomst te worden gelezen in samenhang met de tekst van de pensioenovereenkomst. In de pensioenovereenkomst is wel een regeling opgenomen betreffende de aanspraak op een nabestaandenpensioen van gewezen echtgenoten. Volgens de pensioenovereenkomst heeft A ten behoeve van ‘zijn partner’ aanspraak op een nabestaandenpensioen. X was door haar huwelijk met A vanaf de ingangsdatum van de verzekering tot de datum van echtscheiding als partner in de zin van de pensioenovereenkomst aan te merken. In artikel 11 van de pensioenovereenkomst staat dat bij echtscheiding de gewezen echtgenoot aanspraak verkrijgt op een bijzonder partnerpensioen in overeenstemming met artikel 8a van de destijds geldende Pensioen- en Spaarfondsenwet. Deze bepaling komt overeen met artikel 3a van de Wet vervening pensioen bij scheiding (Wvps). Omdat A en X in het echtscheidingsconvenant aansluiten bij de wettelijke verevening komt, volgens het hof, het bijzondere partnerpensioen dat was opgebouwd ten tijde van de echtscheiding, aan X toe. Aan B komt dan toe het opgebouwde pensioen na de echtscheiding. Omdat het pensioen verzekerd is in de vorm van een kapitaal, komt aan X toe het pensioenkapitaal van de verzekering dat is opgebouwd tot de datum van echtscheiding en aan B de rest van dit kapitaal.

ZL stelt, omdat maar een deel van het kapitaal wordt toegewezen aan X, dat zij haar onverschuldigd heeft betaald. ZL eist dat X het teveel betaalde pensioen terugbetaalt dan wel dat dit wordt verrekend met de toekomstige uitkeringen. Het hof vindt dat een beroep op de regeling van onverschuldigde betaling, gelet op de door X aangevoerde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Commentaar

Bij echtscheiding komt aan de ex-partner van de werknemer het bijzonder partnerpensioen toe. Dit is het opgebouwde partnerpensioen tot aan de datum van echtscheiding. Bij werknemers komt dit voort uit de Pensioenwet. Maar omdat DGA ’s geen werknemer zijn in de zin van de PW, is voor hen een artikel met dezelfde strekking opgenomen in de Wvps (artikel 3a). 

ZL keert het pensioen eerst vier jaar uit aan X en B en daarna in het geheel aan X. Uit de tekst van de uitspraak is niet op te maken waarom ZL de uitbetaling wijzigt. Terecht dat B hiertegen protesteert. B vindt dat ze de enige begunstigde is van de pensioenverzekering en dat het overlijdenskapitaal volledig aan haar toekomt. Puur grammaticaal is daar wat voor te zeggen. Maar het hof vindt dat de verzekeringsovereenkomst voortkomt uit de pensioenovereenkomst en dat deze overeenkomsten in samenhang moeten worden gezien. Omdat in de pensioenovereenkomst wel is opgenomen dat de ex-partner recht op een bijzonder nabestaandenpensioen heeft, moeten X en B het pensioenkapitaal delen. Deze procedure had naar onze mening voorkomen kunnen worden als ZL op de pensioenverzekering had aangetekend welke rechten de voormalige partner heeft in verband met echtscheiding. Hiermee had ZL ten minste voorkomen dat zij aan X te veel pensioen betaalde, terwijl dat volgens het hof niet kan worden teruggevorderd. Het is overigens vreemd dat ZL ook na 2014 het gehele pensioen aan X uitkeerde terwijl ze wist dat de kans bestond dat dit niet juist was. Dat is een van de redenen waarom het hof het beroep op onverschuldigde betaling niet toestaat. 

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 6 augustus 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 augustus 2019.