Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Klijnsma mist de kern bij nettopensioen voor arbeidsongeschikten

28 januari 2015

Staatssecretaris Klijnsma (SZW) stuurde op 27 januari een brief aan de Eerste Kamer. Dit naar aanleiding van een toezegging die zij deed tijdens de plenaire behandeling van de Verzamelwet pensioenen 2014. Zij beloofde toen nog nader in te gaan op de gevolgen van de aftopping voor het nabestaandenpensioen voor deelnemers in een pensioenfonds die premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid hebben. In haar brief mist zij echter de kern van het vraagstuk. Hierdoor kan de arbeidsongeschikte werknemer nog steeds geen nettopartnerpensioen opbouwen over zijn salaris boven € 100.000. 

De problematiek

Per 1 januari 2015 zijn de fiscale regels voor pensioenen verder versoberd. Dat geldt ook voor de toekomstige opbouw in op die datum bestaande pensioenregelingen. Tijdens de parlementaire behandeling stelden diverse leden van de Tweede en Eerste Kamer vragen over de gevolgen van deze versobering voor deelnemers die premievrijstelling hebben wegens arbeidsongeschiktheid. Op basis van deze premievrijstelling gaat de pensioenopbouw gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid door. De kosten daarvoor zijn voor rekening van de pensioenuitvoerder.

Voor deelnemers die bij een pensioenfonds zitten, gaat de toekomstige opbouw echter door op basis van de regeling zoals die per 1 januari 2015 luidt. Dus met een aftopping van het pensioengevend salaris op € 100.000. Dat leidt in sommige gevallen tot een forse daling van het partnerpensioen. De staatssecretarissen van SZW en Financiën verwezen in hun antwoord op de vragen hierover steeds naar de mogelijkheid om een nettopensioenregeling af te sluiten in de tweede pijler. Daarbij mag op grond van de Wet Medische Keuringen geen keuring plaatsvinden en kunnen dus ook arbeidsongeschikten een adequate dekking krijgen. 

Veel arbeidsongeschikte deelnemers hebben geen werkgever meer omdat het dienstverband zoals gebruikelijk na twee jaar arbeidsongeschiktheid is beëindigd. En als er geen werkgever is, is er ook geen partij die de netto pensioenovereenkomst kan aanbieden. Het feit dat de arbeidsongeschikte met premievrijstelling nog steeds deelnemer is in de bruto basis pensioenregeling doet daar niet aan af. De netto pensioenovereenkomst is een nieuwe, afzonderlijke en zelfstandige overeenkomst.

De vraag

Tijdens de mondelinge behandeling van de Verzamelwet Pensioenen 2014 stelde senator Wobke Hoekstra (CDA) de situatie aan de orde van een werknemer die al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en daardoor geen werkgever meer heeft. Die heeft dan ook geen werkgever meer om bij aan te kloppen om nog een beroep te doen op de nettopensioenregeling. Dat zal volgens hem een kleine groep mensen zijn, maar dat is dan wel een kleine groep mensen die potentieel echt een probleem hebben. Hij vroeg de staatssecretaris om voor deze specifieke groep nog een keer te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een probleem en wat de oplossing voor dat probleem zou kunnen zijn.

Het antwoord

De staatssecretaris antwoordt de Eerste Kamer in een brief van 27 januari. Zij geeft daarbij aan dat in de tweede pijler een keuringsverbod geldt. Als de werkgever die is aangesloten bij een pensioenfonds vanaf 1 januari 2015 ook mensen met een slechte gezondheidsprognose een nettopensioen aanbiedt, behouden deze mensen nabestaandendekking voor het inkomen boven €100.000. Omdat iemand met premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid nog steeds pensioenaanspraken jegens de een pensioenuitvoerder verwerft en daarmee deelnemer is in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet, kan volgens de staatssecretaris ook aan deze deelnemer een aanbod van een nettonabestaandenpensioen worden gedaan. Of deze zeer specifieke groep mensen ook na 1 januari 2015 toegang heeft tot een nabestaandendekking hangt derhalve af van de afspraken die sociale partners daarover maken, aldus Klijnsma. Zij gaat er daarbij van uit dat de gevolgen voor het nabestaandenpensioen voor deze specifieke groep bijzondere aandacht krijgt bij de afspraken die cao-partners en pensioenuitvoerders maken. Zij heeft namelijk begrepen dat sociale partners deze problematiek al meerder keren hebben besproken in de Stichting van de Arbeid.

Commentaar

De staatssecretaris mist naar onze mening de kern van het probleem. De basis voor pensioenaanspraken en  – en dus ook voor nettopensioenaanspraken – is de pensioenovereenkomst. Een pensioenovereenkomst is volgens artikel 1 van de Pensioenwet; “hetgeen tussen werkgever en werknemer is overeengekomen betreffende pensioen”. En daar wringt nu precies de schoen. Een arbeidsongeschikte die premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid heeft, is nog steeds deelnemer in de bruto basispensioenregeling. Hij verwerft immers nog steeds op basis van de bruto basispensioenovereenkomst pensioenaanspraken jegens de pensioenuitvoerder. Als zodanig voldoet hij aan de definitie van deelnemer in artikel 1 Pensioenwet. Meestal eindigt het dienstverband van een arbeidsongeschikte werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Als hij premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid heeft, blijft hij weliswaar deelnemer in de bruto basispensioenregeling, maar is hij geen werknemer meer.

De nettopensioenregeling is een nieuwe, afzonderlijke en zelfstandige pensioenregeling. Daar moet dus ook een nieuwe, afzonderlijke en zelfstandige pensioenregeling aan ten grondslag liggen. Het feit dat de arbeidsongeschikte nog deelnemer is in de bruto basispensioenregeling doet daar niets aan af. Hij is geen werknemer meer en heeft geen werkgever. Er is dus geen partij die hem een netto pensioenovereenkomst kan aanbieden en hij kan die niet aanvaarden. Er kan dus geen nettopensioenovereenkomst tot stand komen. Het pensioenfonds voert slechts de pensioenovereenkomst uit en is niet de partij die hem aanbiedt en afsluit. Dat is de werkgever en die is er niet meer. De brief van de staatssecretaris mist dus de kern van het vraagstuk en lost dit niet op.

 

Auteur:  Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron: Brief van de staatssecretaris van SZW aan de Eerste Kamer van 27 januari 2014, nr. 2015-0000008005 

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 januari 2015