Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees beantwoordt 211 Kamervragen over uitwerking Pensioenakkoord

Koolmees beantwoordt 211 Kamervragen over uitwerking Pensioenakkoord

14 juli 2020

Vlak voor het debat met de Tweede Kamer over de uitwerking van het Pensioenakkoord op 14 juli 2020, beantwoordt minister Koolmees 211 vragen die de Tweede Kamer stelde. 50Plus nam met 55 vragen een flink deel hiervan voor zijn rekening.

Van zeer technisch tot naar de bekende weg

De vragen waren van zeer uiteenlopende aard. Van zeer technisch (Wat is de manier van omrekening van het kabinet van bestaande aanspraken en rechten naar het nieuwe contract?) tot vragen naar de bekende weg (Waarom is de rekenrente niet aangepast in het nieuwe pensioenakkoord maar is er gekozen voor een nieuw stelsel?).
En vragen waarvan het enige verbazing wekt dat de pensioenwoordvoerders van partijen, waarvan je toch enige (basis)kennis van zaken mag veronderstellen, die stellen (Wat is de navigatiemetafoor?), of waarvan je bij voorbaat weet dat ze vrijwel niet te beantwoorden zijn (Kunt u een doorrekening laten maken welke uitkomsten het nieuwe contract gehad zou hebben, indien het de afgelopen 75 jaar bestaan had voor een door u gekozen maatman?)

Invaren

Veel vragen hebben betrekken op het bij pensioenfondsen invaren van oude rechten in het nieuwe contract. Invaren speelt alleen een rol bij pensioenfondsen. Bij rechtstreeks verzekerde regelingen is dit niet aan de orde.
Koolmees geeft steeds aan in beginsel grote voordelen te zien van het invaren van bestaande aanspraken en rechten. Daarom neemt hij invaren ook op in het standaard pad en daarom verwacht hij dat in de meeste gevallen het standaard pad gevolgd wordt. Voor sommige pensioenfondsen en in sommige gevallen kan invaren onevenredig ongunstig uitpakken. Als die pensioenfondsen of betrokken sociale partners kunnen motiveren dat dit voor hen het geval is, hoeven zij het standaard pad niet te volgen. Het kabinet en de werkgevers- en werknemersorganisaties hebben de overweging om van het standaard pad af te wijken bij de individuele pensioenfondsen en betrokken sociale partners willen laten. Elk pensioenfonds en de betrokken sociale partners vormen een eigen oordeel of sprake is van proportioneel invaren. Dat oordeel wordt getoetst door de daarvoor geëigende organen binnen het pensioenfonds.

Individueel bezwaarrecht

Koolmees geeft desgevraagd aan dat artikel 83 van de Pensioenwet blijft bestaan voor collectieve waardeoverdrachten die losstaan van de transitie naar een nieuw pensioenstelsel. Specifiek voor de overstap naar een nieuw pensioenstelsel is bezien hoe de inspraak van deelnemers en pensioengerechtigden bij pensioenfondsen op een (concept) invaarbesluit het beste vormgegeven kan worden. De doelstelling van zowel het kabinet als de SER om bestaande pensioenaanspraken en –rechten en toekomstige pensioenopbouw bijeen te houden is daarbij leidend geweest. Voor de overstap naar een nieuw pensioenstelsel is er voor gekozen om, in plaats van een individueel bezwaarrecht, versterkte collectieve bevoegdheden toe te kennen aan het verantwoordingsorgaan dan wel het belanghebbendenorgaan van het pensioenfonds. Via deze versterkte collectieve bevoegdheden krijgen deelnemers en pensioengerechtigden bij pensioenfondsen (indirect) inspraak op het besluit om bestaande pensioenen over te dragen naar het nieuwe pensioencontract.

Europeesrechtelijke houdbaarheid

Op vragen over de juridische en Europeesrechtelijke houdbaarheid antwoordt de minister dat de juridische aandachtspunten bij het door pensioenfondsen invaren, zitten op het vlak van inmenging in het eigendomsrecht en op het vlak van (on)gelijke behandeling. Uit jurisprudentie hieromtrent en de analyses die zijn uitgevoerd, blijkt dat de kans op een ongerechtvaardigde inmenging op beide vlakken gering is. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsvrijheid bij de inrichting van het nationale pensioenstelsel en bij de vraag of een voorgestelde maatregel in het algemeen belang is. De concrete beoordeling moet echter in het individuele geval gedaan worden. Een rechtvaardiging zal ontbreken als de individuele last onevenredig veel groter is dan het algemeen belang dat gediend wordt. De kans hierop schat de minister als zeer gering in.

Op de vraag of er een procesrisico is, antwoordt Koolmees dat het iedereen vrij staat om in rechte op te komen tegen besluiten waar men het niet mee eens is. De mate waarin dat het geval zal zijn, hangt mede af van de zorgvuldigheid waarmee besluiten worden genomen, de onderbouwing van die besluiten en de uitleg die daaraan wordt gegeven. De partijen die bij de uitwerking van het pensioenakkoord zijn betrokken, hebben hierover duidelijke afspraken gemaakt. De noodzaak om het pensioenstelsel te herzien en de keuzes die in dat kader zijn gemaakt, zullen in (de toelichting bij) het wetsvoorstel uitgebreid worden toegelicht en onderbouwd. Werkgevers zijn verantwoordelijk voor de transitieplannen, waarin de overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor een nieuw pensioencontract en de wijze waarop de overstap naar dat contract plaatsvindt transparant moet zijn, inclusief de gevolgen voor groepen deelnemers. Pensioenuitvoerders zullen hun deelnemers laten zien welke effecten die overstap heeft. Hiervoor geven zij alle deelnemers persoonlijk inzicht in de hoogte van het pensioen dat zij vóór de overstap mochten verwachten en het verwachte pensioen na die overstap. Het bovenstaande sluit niet uit dat individuele deelnemers of actiecollectieven zich tot de rechter kunnen wenden. Bij een zorgvuldige, evenwichtige en transparante besluitvorming zal de kans op succes van dergelijke acties naar verwachting zeer gering zijn. Dit wordt bevestigd door de juridische analyses die tijdens de uitwerking van het pensioenakkoord zijn gemaakt.

Verplichtstelling

Volgens Koolmees blijkt uit de gedane analyses dat zowel voor het nieuwe contract als voor de verbeterde premieregeling de verplichtstelling naar verwachting houdbaar is. Dit komt mede voort uit de bijzondere taak van sociale aard die een pensioenuitvoerder zonder de verplichtstelling naar verwachting niet kan uitvoeren. Deze bijzondere taak is gelegen in het voorzien van aanvullend pensioen in Nederland. Zonder de verplichtstelling is het voor een pensioenfonds naar verwachting niet mogelijk om de pensioenregeling voor alle werknemers van alle werkgevers in de bedrijfstak op dezelfde manier tegen dezelfde (aanvaardbare) kosten uit te voeren.

Solidariteitsreserve

Op de vraag of de solidariteitsreserve een minimale omvang kent of ook nihil mag zijn, antwoordt Koolmees dat de solidariteitsreserve niet negatief mag zijn.
De partijen die de pensioenovereenkomst sluiten, bepalen in overleg met het fondsbestuur hoe de solidariteitsreserve wordt gevuld. Daarvoor geldt als voorwaarde dat de solidariteitsreserve significant bijdraagt aan de intergenerationele risicodeling en aan stabiliteit. Dat kan alleen als de reserve in voldoende mate wordt gevuld. In theorie lijkt dit ook mogelijk zonder toevoeging uit overrendement of een premiepercentage lager dan 10%. In de praktijk zal moeten worden bepaald welke evenwichtige invulling het best past bij het deelnemersbestand. In ieder geval concluderen wij hieruit dat de solidariteitsreserve niet alleen niet negatief mag zijn, maar positief (en dus niet nihil) moet zijn.

Overgangsregeling premieovereenkomsten met stijgende premie

De vakbond VCP stelde een alternatief voor de overgangsregeling voor premieovereenkomsten met een stijgende premie voor. Koolmees voelt hier niet voor omdat dit uitgaat van een generieke compensatiebepaling voor álle regelingen, terwijl adequate compensatie maatwerk op het niveau van de pensioenregeling vereist. Daarnaast gaat het voorstel uit van een overheidsheffing die gebaseerd is op de premievrijval. De heffing stelt VCP voor alle werkgevers gelijk, maar de hoogte van de premievrijval is afhankelijk van de deelnemerspopulatie en de nieuwe leeftijdsonafhankelijke premie, waardoor het voorstel van de VCP niet kostenneutraal is voor individuele werkgevers en kan leiden tot herverdeling tussen pensioenregelingen. Tevens legt het voorstel een aanzienlijk financieel risico bij de overheid neer; bijvoorbeeld omdat bij bedrijfsbeëindiging geen bijdragen meer worden afgedragen. Tot slot kent het voorstel aanzienlijke uitvoeringsvraagstukken, met een nieuwe toeslagregeling en heffingssystematiek die gedurende een lange periode operationeel zou moeten zijn.

Commentaar

De enorme hoeveelheid vragen geeft al aan dat er nog een hoop water door de Rijn gaat voordat het nieuwe pensioenstelsel volledig is ingevuld en uitgewerkt.

Opvallend is het antwoord op vraag 12. Op de vraag of er nu geen gegarandeerd pensioen meer is voor toekomstige generaties, antwoordt de minister dat garanties niet bestaan. Ook nu al niet. Hieruit blijkt (maar weer eens) dat het uitgangspunt van de wetgever nog steeds de situatie bij pensioenfondsen is. Daar is inderdaad geen sprake van harde garanties, zoals we inmiddels maar al te goed weten. Maar er zijn in Nederland momenteel nog bijna 12.000 rechtstreeks verzekerde middelloonregelingen met ongeveer 325.000 deelnemers (bron: DNB 2019). Die kennen wel degelijk een gegarandeerde levenslange periodieke uitkering. Dat garanties, zeker in een lage rente  omgeving, heel erg duur zijn, is inmiddels ook bekend. Maar dat wil niet zeggen dat niet bestaan. Er zijn in Nederland dus in ieder geval 12.000 werkgevers die een gegarandeerde middelloonuitkering voor hun werknemers dermate belangrijk vinden dat zij deze ook willen verzekeren. Voor werkgevers en deelnemers die de bijbehorende kosten willen en kunnen betalen, blijft er naar wij aannemen de mogelijkheid bestaan om de beschikbare premie direct om te zetten naar een uitgestelde gegarandeerde periodieke uitkering.

Overigens is een aantal wat ons betreft belangwekkende vragen nog niet eens aan de orde gesteld. Zoals: kunnen rechtstreeks verzekerde middelloonregelingen omgezet worden in een premieovereenkomst met een stijgende staffelpremie en zodoende onder het overgangsregime voor dergelijke regelingen vallen? Wanneer is sprake van een ‘bestaande regeling’ en een ‘bestaande deelnemer’? Welke peildatum hanteert de wetgever daarbij? En, hoe gaan pensioenfondsen die een verbeterde premieregeling willen uitvoeren invulling geven aan het keuzerecht dat deelnemers op grond van artikel 63b, lid 1 PW hebben om voor een vaste uitkering te kiezen? Een van de wezenlijke kenmerken van het nieuwe stelsel is toch juist dat pensioenfondsen geen vaste uitkeringen meer kennen? Ook na pensioeningangsdatum.

 

Kortom; dit is vast niet het laatste nieuwsbericht over dit onderwerp!

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Antwoorden op Kamervragen over het pensioenakkoord, 10 juli 2020.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 juli 2020.